HAAT ZAAIEN TEN GUNSTE VAN EEN EIGEN LUCRATIEVE CARRIERE. Deel 2.

maart 27, 2009

Een NPK-activist in hart en nieren.

 

Hij was vanaf de oprichting van het Nederlands Palestina Komitee betrokken bij alle activiteiten, was jarenlang penningmeester, zat in de redactie van het huisorgaan,  was altijd in de weer met spandoeken, regelde demonstraties en staat nog steeds graag vooraan in de ‘frontlinies’. Zijn naam: Kees Wagtendonk.

 

Hij staat te boek als man van de oude linkse stempel die weigert zich neer te leggen bij het bestaan van de staat Israel. Een Joodse staat discrimineert volgens hem per definitie en daarom had die staat er nooit mogen komen.

 

Wagtendonk raakte naar eigen zeggen bij de oprichting van het NPK betrokken via het Midden-Oosten Bulletin. Hij was een van de medewerkers van dat blad, samen met Gerrit Jan Harbers , de toenmalige buitenlandsecretaris van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP).

 

In het dagelijks leven was Wagtendonk tot aan zijn pensionering wetenschappelijk hoofdmedewerker bij de UvA. Hij doceerde er islamologie. Kennelijk tilde hij niet zwaar aan een onafhankelijke positie want hij combineerde zijn wetenschappelijke functie jarenlang met het bestuurslidmaatschap van het NPK. Na zijn afscheid van de UvA gaf hij zich uit als  theoloog en islamoloog of  ook wel “retired associate professor at the University of Amsterdam.”

 

Strategisch inzicht kan Wagtendonk niet worden ontzegd. In de Marokkaanse gemeenschap zag hij een nieuwe doelgroep voor de missie van het NPK. Met opvallend gemak wist het comité duizenden demonstranten te ronselen in moskeeën. Dat hun demonstraties steeds vaker uit de hand liepen, nam men op de koop toe. Vernielingen en agressie tegen Joden begonnen vertrouwde verschijnselen te worden. Het “Hamas Hamas, Joden aan het gas” werd een bekende strijdkreet. Het was het resultaat van de haat die Wagtendonk en de zijnen tegen Joden en tegen Israel hadden gezaaid. Die was in een vruchtbare voedingsbodem beland.

 

Ondanks de protesten tegen het groeiende antisemitisme onder Marokkaanse jongeren gaat Wagtendonk door met het plaatsen van oproepen op Arabische websites om deel te nemen aan demonstraties. Ook het krakersweb Indymedia is een favoriete stek, evenals de website van de welbekende activiste en SP-senator Anja Meulenbelt. Geen wonder. Hij mag graag in haar gezelschap verkeren, bij voorkeur samen met de beruchte Gretta Duisenberg.

 

Veel van de NPK-demonstraties worden georganiseerd in samenwerking met de Palestijnse Vereniging, de Internationale Socialisten (IS), tal van andere groeperingen en politieke partijen als GroenLinks en de SP. In het speciale nummer van het Free Palestina Bulletin in 2008, waaraan Wagtendonk meewerkte, krijgt de lezer een fraai staaltje te zien van de lijnen die er naar de politiek lopen. SP-Kamerlid Harry van Bommel, naderhand in opspraak geraakt vanwege deelname aan een omstreden demonstratie, en zijn politieke kompaan Mariko Peters (GroenLinks) zijn gebroederlijk te bewonderen op een foto die is gemaakt tijdens de campagne ‘Ik ben ontzet’ op 5 juni 2007.

 

Wagtendonk verdient bijzondere aandacht. Daarom is het des te merkwaardiger dat hij jarenlang buiten beeld wist te blijven. Zo ontstond een achterstand waardoor in mijn onderzoek naar deze notoire activist nog een aantal belangrijke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Mogelijk wordt dit gat in mijn kennis in de nabije toekomst alsnog gevuld.

 

Wat ik tot nu toe over Wagtendonk op het spoor ben gekomen, is overigens al tamelijk onthullend. Zoals ik reeds heb beschreven, was deze geboren Amsterdammer (1933) in 1958 toevallig ook in Damascus toen Rabbani zijn vrouw ging bezoeken. Daar was het een en ander aan vooraf gegaan.

 

In 1953 ging Wagtendonk theologie studeren maar hij kwam er al snel achter dat predikant worden eigenlijk meer de wens van zijn vader was. De studie Vergelijkende Godsdienstwetenschap, met als hoofdvak Islam en als bijvak Arabisch aan de UvA paste beter bij hem.

 

In die periode was een aantal UvA-studenten actief in de Werkgroep Antimilitaristische Studenten (WAS). De werkgroep ageerde ondermeer tegen de toenmalige politionele acties in Indonesië en hielp ook dienstweigeraars. Diezelfde studenten zouden later betrokken raken bij de Algerijnse zaak tegen de Fransen (De zaak waaraan Rabbani zijn eerste kapitaal zou gaan verdienen). Tevens waren deze studenten vanaf 1958 actief binnen de toen opgerichte PSP (huidige GroenLinks). Die partij was maakte zich vanaf het begin sterk voor de Palestijnse zaak. 

 

Een van die WAS/PSP-studenten was de bekende activist Sietse Bosgra, die opkwam voor de Algerijnen, een belangrijke rol speelde het Angola Komitee, een spilfunctie vervulde in het Komitee Zuidelijk Afrika en momenteel actief is als secretaris van het Nederlands Instituut Palestina/Israel (NIPI). Het NIPI werkt nauw samen met het PKN.

 

Bosgra was niet alleen lid van de PSP maar was tevens een regelmatige bezoeker van AAPSO-bijeenkomsten. Tijdens een AAPSO bijeenkomst in New Delhi (India) in oktober 1987 sprak hij met de ambassadeur van Koeweit (een Palestijn) over samenwerking om te komen tot een olieboycot van Israël.

 

Een andere oude kameraad van Wagtendonk die ook AAPSO conferenties bezocht was de PSPer Gerrit Jan Harbers.

 

AAPSO was nauw betrokken bij het internationaal terrorisme en een van de onderwerpen die altijd op de agenda stond was Israël en Zionisme. En diezelfde Sovjetunie was in de tijd een van de belangrijkste steunpilaren van de PLO. De Palestijn Mohamed Sobeih (PLO) zat in redactieraad van AAPSO-publicaties en het Palestinian Committee for Peace and Afro-Asian Solidarity was lid van AAPSO.

 

Achteraf is gebleken dat AAPSO indirect door de geheime dienst van de Sovjetunie, de beruchte KGB, werden gefinancierd. *

 

In die troebele vijver komt Wagendonk terecht als hij zijn opwachting aan de UvA maakt.

 

In zijn voorkeur voor Vergelijkende Godsdienstwetenschap lag ook zijn voorliefde opgesloten voor het communisme. Nadat hij enige tijd de voorgenomen studie had gevolgd, wilde hij wel eens kennis maken met moslims die het communisme waren toegedaan en net als hij deel uitmaakten van een internationaal studentennetwerk.

 

Terdege voorbereid en met een ‘routekaart onder zijn arm’ ging hij in 1958 op pad naar Syrië, Libanon en Israël. Intussen was de Algerijnse opstand tegen de Fransen in alle hevigheid losgebarsten.

 

Syrië was in die tijd sterk op de Sovjet-Unie georiënteerd dus voor hem de ideale plaats om gelijkgezinden kameraden te ontmoeten. En jawel, hij wist ze te vinden, een aantal communistische jongeren dat net terug was van het wereldjeugdfestival van de IUS/WFDY in Moskou. Het leverde een langdurige contact op. Volgens Wagtendonk heeft hij met een van hen – die later minister werd – 30 jaar lang gecorrespondeerd.

 

Vervolgens bracht zijn ‘routekaart’ hem naar een Palestijns kamp in de Syrische hoofdstad Damascus. Hij had niet op een beter moment kunnen komen want de Palestijnse leider Yasser Arafat was juist druk doende zijn nog jonge guerrillabeweging beweging Al Fatah verder vorm te geven. De eerste recruten hadden inmiddels een commando-opleiding gevolgd in Algerijnse kampen. Voor Arafat was Syrie een ideale partner. Hij werkte nauw samen met de Syrische geheime dienst bij het creëren van een uitvalbasis langs de grens met Israël. Tevens voorzag de Syrische overheid Al Fatah van wapens en explosieven. 

 

De volgende halte was de Libanese hoofdstad Beiroet. Daar ontmoette hij behalve Palestijnse kameraden ook communistische studenten uit India, Pakistan, Filippijnen, Ethiopië en andere Arabische landen. Daarna ging de reis naar Oost-Jeruzalem, in die tijd in handen van Jordanië. Daar logeerde hij bij de weduwe van George Antonius, de schrijver van het boek The Arab Awakening. Saillant detail is dat diezelfde Antonius de informele adviseur was van Hajj Amin al-Husayni, de inmiddels overleden Mufti van Jerusalem. De haat tegen de Joden had bij deze Al-Husayni zulke grote vormen aangenomen dat hij zelfs aanpapte met Hitler.

 

Mevrouw Antonius was nauw betrokken bij de Palestijnse zaak en was onder meer actief in een vluchtelingenkamp in Oost-Jeruzalem. Daar bracht zij Wagtendonk in contact met de lokale Palestijnse leiders. Over de inhoud van de gevoerde gesprekken of zijn activiteiten in de Palestijnse kampen was Wagtendonk nooit mededeelzaam. Een interessante vraag is of hij in die kampen een bepaalde training heeft ondergaan. Het zou mij niet verbazen.

 

Van Oost-Jeruzalem reisde hij eind juni, begin juli via Syrië naar Libanon. Juist in die tijd stuurde de toenmalige Amerikaanse president Eisenhouwer 5.000 Amerikaanse militairen naar dat land onder de naam “Operation Bleu Bat”. Hij deed dat om te voorkomen dat de Libanese regering met steun van de Egyptische president Nasser door de communisten omver geworpen  zou worden. Volgens Wagtendonk had hij een legerbroek aan. Vrienden raadden hem aan die maar snel uit te trekken omdat men kon denken dat hij een ‘soldaat’ was.

 

Terug in Nederland werd hij docent bij de vakgroep Godsdienstwetenschap van de Theologische faculteit aan de UvA. In 1968 promoveerde hij op de oorsprong van het vasten in de Koran.

 

Bij het Instituut Moderne Nabije Oosten (IMNO) van de UvA leerde hij de Palestijn Musa Suudi kennen. Die was zeer actief voor de Palestijnse zaak. Musa was als jongen van 1936 tot 1939 actief geweest als koerier tussen de Palestijnse strijders. In 1956 kwam hij naar Nederland waar hij het opmerkelijk snel schopte tot docent aan het zojuist genoemde IMNO.

 

In 1973 kreeg Wagtendonk naar eigen zeggen ‘schrik van zijn leven’. Kort na de Oktoberoorlog (een verrassingsaanval van Egypte en Syrië op Israël) stond bijna heel Nederland achter Israël. Dat beviel Wagtendonk allerminst. Met zijn makkers beklom hij de trappen van de Amsterdamse Koopmansbeurs om op een nogal opdringerige wijze pamfletten uit te delen tegen steun aan Israël. Een van de bezoekers nam dat niet en donderde hem van de trap af.

De politie moest eraan te pas komen om hem in veiligheid te brengen. Op het bureau Warmoesstraat meldde zich zijn maatje Bertus Hendriks om hem te troosten. De schrik was groot. Wagtendonk was totaal van slag. Had hij zijn vers gedrukte blaadjes doorgaans in een mum van tijd aan de man gebracht, dit keer bleef hij met de voorraad zitten. Volgens Wagtendonk zelf ligt in het schuurtje van zijn Amstelveense woning nog altijd een oplage onverkochte NPK-Nieuwsbrieven uit dat jaar.

 

Op 13 oktober 1976 vertrok Kees Wagtendonk hals over kop naar Cyprus om het werk van Ger Dassen van het NPK over te nemen. Voor het NPK was Cyprus een belangrijk knooppunt. In de hoofdstad Nicosia was het Palestine Red Cresent Society (PRCS) gevestigd waar het NPK nauw mee samenwerkte. Tevens bevond zich een van de PLO mediakantoren in de stad, die het centraal orgaan Al-Thawra verzorgde. Dassen was een week eerder in Libanon door de Israëlische legerautoriteiten in hechtenis genomen.

 

Drie jaar later, in 1979, bezocht Wagtendonk samen met de PSP’er Huib Riethof zijn “kameraden” in de Westelijke Sahara om weer even de geur van de revolutie op te snuiven. Er woedde een guerrillastrijd tussen de Marokkanen en de plaatselijke Touaregs (Polisario) die gesteund werden door Algerije, Libië en niet te vergeten het Komitee Marokkaanse Arbeiders Nederland , een belangrijke partner van het NPK. Het Nederlander gezelschap bezocht de Polisariostrijders als onderdeel van een zogenaamde Europese fact-finding mission.

 

Laten we deze beperkte en korte trip door het leven van deze activist voorlopig afsluiten met een klein overzicht van een aantal demonstraties die mede door deze man tot stand zijn gekomen.

 

2001

31 augustus: Picketline/demonstratie gericht op Tweede Kamer & Israëlische ambassade. Nederland moet Israël dwingen tot volledig vertrek uit de bezette gebieden. Organisatie: NPK, Palestijnse Vereniging, IS.

 

1 december: Dag voor Internationale Solidariteit met het Palestijnse Volk. Inleiding door Ibrahim Al-Baz en Robert Soeterik [MERA].

Boycotcampagne met picketlines voor een aantal supermarkten van Albert Heijn in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Leiden.

 

2003

22 maart: Tegen de Amerikaanse aanval op Irak.

 

2004

15 mei: Demonstratie bij het Amerikaanse consulaat op het Museumplein in Amsterdam tegen de Amerikaanse bemoeienis in Irak en Palestijnse gebieden, de Abu Ghayb gevangenis en de door Israël gebouwde veiligheidsmuur.

 

17 mei: Campagne van de ICCO om het consumentenpubliek te wijzen op de voortdurende schending door Israël van het Associatieakkoord met de EU in zoverre producten uit de nederzettingen als “made in Israël” tegen gereduceerd importtarief in de EU worden ingevoerd. De bedoeling is dat honderdduizenden handtekeningen daartegen worden ingezameld en aangeboden aan de Nederlandse voorzitter van de EU na 1 juli.

 

22 mei: Op het Plein in den Haag tegen het Israëlisch optreden in Rafah, een grensplaats met Egypte waar volgens Wagtendonk ‘na succesvol verzet tegen de Israëlische bezetter – 13 soldaten werden gedood (…).’

 

26 mei: op het Plein in Den Haag waar een petitie werd aangeboden bij de  Tweede Kamercommissie van Buitenlandse Zaken die die dag vergaderde over het Midden-Oostenbeleid.

5 juni: karavaan tegen de apartheidsmuur van start in Leiden naar alle provincies. Een voorlichtingscampagne van het samenwerkingsverband van Nederlands Palestina Komitee (NPK), initiatiefgroep Stop de Bezetting (SdB) en de Palestijnse Gemeenschap in Nederland (PGN). Opening door Hans Feddema, publicist en voorzitter SdB. Boycot-flyering voor de Albert Heijn op het Museumplein. Consumentenboycotacties moesten de politici in de Tweede Kamer onder druk zetten zodat zij de nodige stappen ondernamen om ervoor te zorgen dat Nederland in EU-verband ging meewerken aan het onder druk zetten van Israël om een einde te maken aan de bezetting.

26 juni: een landelijke demonstratie tegen de bezetting van Irak. Het NPK riep op tot deelname hieraan. Initiatiefgroep: KMAN, EMCEMO, PGN, IS.

 

2006

3 juli: Brief aan minister Bot door Anja Meulenbelt naar aanleiding van een oproep van het NPK en een initiatief van EMCEMO. Betreft onder meer steun voor de oproep van het International Coordinating Network on Palestine 28 juni 2006

 

15 juli: Een demonstratie voor de ingang van het Binnenhof bij het Dreesmonument in Den Haag vanwege Israëls oorlog tegen de Palestijnen en tegen Libanon, georganiseerd door de Palestijnse Gemeenschap Nederland en het NPK.

 

2007

5 juni: Manifestatie Een Ander Joods Geluid, NPK, Palestijnse Gemeenschap Nederland, en United Civilians for Peace (UCP) tegen de Israëlische aanwezigheid in Samaria, Judea en Jeruzalem. De manifestatie vond plaats de dag voordat de Vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken over het Nederlandse Midden-Oosten beleid debatteerde en een week voordat minister Verhagen naar Israël en de omstreden gebieden vertrok.

 

2008

27 december: Oproep NPK: “Gaza wordt weer eens grootschalig gebombardeerd. We staan vanavond om 7 uur met fakkels en borden op de Dam.”

 

2009

3 januari: Een landelijke demonstratie tegen de Israëlische bombardementen op Gaza. 

 

22 februari: Picketactie voor het Amsterdamse College Hotel onder de noemer “Platform Stop de Aanval op Gaza” tegen de lezing van de Israëlische legerwoordvoerder Ron Edelheit onder de titel ‘Na de Gaza oorlog: wat nu?’

“Geen Israëlische oorlogspropaganda in uw hotel!! (…) De publiciteit die deze bijeenkomst en het protest daartegen zal krijgen, kan het hotel toekomstige klanten gaan kosten.” klonk het dreigement.

 

Een lange lijst van deelnemers moest zoveel mogelijk indruk maken: Al Awda, Anti-Imperialisme Platform, DIDF, Een Ander Joods Geluid (EAJG), ICAD, ICAW, HTIB, Internationale Socialisten, Jongeren voor Palestina, Keerpunt, KMAN, Marokkaanse Raad Zeeburg, Milli Görus Nederland, NCPN, Nederlands Palestina Komitee (NPK), Palestijnse Gemeenschap Nederland (PGN), Palestinian Human Rights Foundation RASED, Peace-Actie, People’s Artist Network, PlateForme Intercontinentale des MRE, PPMS, PRIME, Raad van Marokkaanse Moskeeën Nederland, SAP/Grenzeloos, SMVA, Stop de Bezetting, Transnational Institute, Unie van Marokkaanse Moskeeën Amsterdam en Omstreken (UMMAO), VIA, Vrouwen in het Zwart Nederland, XminY.

 

* Ook na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie bleef AAPSO actief voor de Palestijnse zaak. Zo organiseerde zij op 8 november 2000 een bijeenkomst met vijf NGO’s die gevestigd zijn in Cairo ondermeer de Arab Lawyers Union, de Arab Labour Union, de African Peasant Union, de Arab Journalist Union, de Arab Pharmacists Union en de Arab Organisation for Human Rights. Tijdens deze bijeenkomst werd het Arab Committee for Supporting Palestinian People’s Struggle opgericht.


HAAT ZAAIEN TEN GUNSTE VAN EEN EIGEN LUCRATIEVE CARRIERE

februari 14, 2009

In ons land worden we geconfronteerd met een almaar groeiende haat tegen Joden en Israël. Een probleem dat in belangrijke mate is gecreëerd door de jarenlange manipulaties van autochtone Nederlanders. Nederlanders die vanuit hun veelal gesubsidieerde activiteiten of invloedrijke posities het zaad van de haat hebben gezaaid. Voor de opbouw van hun eigen zeer lucratieve carrière misbruiken deze haatzaaiers niet alleen al drie decennia lang de Arabische bevolkingsgroep, maar ook jonge studenten.

 

Ze bevolken onze politiek, universiteiten, media, vakbeweging, politiek en niet-Gouvernementele organisaties. De onderzoekers Marcel van Hamersveld en Michiel Klinkhamer gaven de activiteiten van dit soort figuren de passende titel “Messianisme zonder mededogen”.

 

Wie zijn deze autochtone Nederlanders en welke posities bekleden ze nu?

 

Hun carrière begon in de begin jaren zeventig- en tachtig, toen allerhande extreemlinkse actiegroepen als paddenstoelen uit de grond schoten. Ze waren antikapitalistisch, anti-imperialistisch, antikoloniaal en steunden opstandelingen in de Derde Wereld. Alles moest anders, de gevestigde orde moest omver geworpen worden.

 

Dag en nacht waren ze in de weer om contacten te leggen met allerlei revolutionaire bewegingen in de wereld waaronder het EPLF (Eritrees Bevrijdings Front), het PAC (Pan Africanistisch Congres van Azania), African National Congress (ANC) Zuid Afrika, South West Africa People’s organisation (SWAPO) in Namibië, de MIR (Movimiento Izquierda Revolucionario) in Chili, de Frente Farabundo Martí para la Liberación Nacional (FMLN) in El Salvador, Frente Sandinista de Liberación Nacional ( FSLN) in Nicaragua, de Tamil Tijgers in Sri Lanka, de Koerdische Partiya Karkerên Kurdistan en … het Palestijnse Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP) of de PLO (Palestine Liberation Organization).

 

In deze periode was de Koude Oorlog in volle gang en speelde het Midden-Oosten een strategische rol tussen Oost en West. De Joodse staat Israël was een doorn in het oog van Sovjets, mede omdat ze een westerse enclave vormden binnen de Arabische wereld. Met veel enthousiasme steunden de toenmalige Oostbloklanden Arabische regimes en terroristen die Israël bevochten. Zo werd het Palestijnse terrorisme vanaf 1968 jarenlang volledig door de Sovjet-Unie bewapend. Tevens konden de Palestijnen rekenen op de eerder genoemde kameraden binnen de linkse actiegroepen in het westen. Die ontketenden met hun politieke broodheren solidariteitsacties en oefenden druk uit op hun regeringen, media en maatschappelijke organisaties om hun gezamenlijke doelstellingen te verwezenlijken.

 

In Nederland waren belangrijke beleidsmakers binnen deze actiegroepen onlosmakelijk verbonden met linkse politieke partijen, waaronder de toenmalige CPN, PSP, PPR (huidige GroenLinks) en PvdA. 

 

Een van deze actiegroepen was het Nederlands Palestina Komitee (NPK). Ze droomden van de Socialistische Republiek Palestina en schaarden zich achter de PFLP of Al Fatah en de PLO.

 

Een komitee dat:

 

– Functioneerde als een soort mantelorganisatie van de PLO.

– Al Fatha-terroristen in haar bestuur opnam.

– Een broedmachine werd voor Nederlanders die ook wel eens terroristje wilden spelen.

– De Palestijnse zaak steunde in een periode dat deze in de ogen van de publieke opinie vrijwel synoniem leek te zijn met kapingen, gijzelingen, moord en doodslag.

– Opriep tot het boycotten van reisbureaus die reizen organiseerden naar Israël

Picket-lines hielden en folders uitdeelden bij supermarkten met daarin een oproep Israëlische producten te boycotten.

– Informatiedagen organiseerden voor docenten maatschappijleer die tevens werden bedolven met informatiepakketten over de Palestijnse kwestie.

– Demonstraties organiseerde waarin bij herhaling kreten te horen zijn als “Hamas, Hams, alle Joden aan het gas”.

– Haar tentakels diep binnen Universiteiten liet kronkelen waaronder de inmiddels beruchte Universiteit van Amsterdam (UvA), waar enkele NPK-leden een glansrijke carrière opbouwden.

 

Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat deze club de bloedbaden, veroorzaakt door Palestijnse terroristen, steeds weer goedpraatten met de smeekbede toch vooral begrip te hebben voor de motieven van de daders.

 

De PLO pleegde tussen 1969 en 1985 meer dan 8000 aanslagen, waarvan tenminste 435 in het buitenland. Meer dan 650 Israëli’s – waarvan driekwart burgers -, 28 Amerikanen en tientallen burgers van andere landen kwamen daarbij om. Deze aanslagen kwamen op gang nadat een van de oprichters van Al Fatah, Yasser Arafat, in februari 1969 werd gekozen tot voorzitter van de PLO. Drie maanden later, in mei 1969, kwamen enkele van zijn Nederlandse aanhangers in het geweer en richtten het NPK op.

Tijdens de oprichtingsdag was de sfeer onder het Leidsepleingroepje  gespannen. Een aantal van hen stond aan de vooravond van een actie die Nederland voorgoed zou gaan veranderen. Mede door hun activiteiten zou een aantal universiteiten waaronder de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) een ongelooflijke rol gaan vervullen als broedmachines van haat en radicale acties.

 

Lees mee en ervaar in een serie vervolgverhalen – een ontdekkingsreis – hoe een klein groepje ‘lijkenpikkers’ de sfeer tegen joden en Israël gingen bepalen.   

    

DEEL 1.

 

MOGEN WIJ ONS EVEN AAN U VOORSTELLEN

Al jaren wordt het Nederlandse publiek overgoten met de eenzijdige en veelal vet gekleurde informatie over het conflict tussen Israel en de Palestijnen. Dit is in grote mate te danken aan de eerste, tweede en derde generatie Nederlanders die op enigerlei wijze te maken hadden met het Nederlands Palestijns Komitee (NPK). Om deze bewering te staven is het van belang om terug te gaan naar het jaar 1969. Toen werd de basis gelegd voor het NPK, ondermeer door personen uit de CPN, PSP, PPR, PvdA (Nieuw Links), Pax Christi, Sjaloom en de links-extreme Algemene Studenten Vereniging Amsterdam (ASVA).

 

Laten we beginnen met een aantal van hen even aan u voor te stellen, te beginnen met de rol van ASVA.

 

De in 1945 opgerichte ASVA veranderde in de jaren ’60 onder invloed van het links politiek activisme in een communistisch bolwerk. Studenten en stafleden rebelleerden tegen het universitaire en maatschappelijke systeem. ASVA speelde een dominante rol voor, tijdens en na de Maagdenhuisbezetting in 1969, een belangrijke keerpunt voor de Universiteit van Amsterdam (UvA). Beetje bij beetje kwam de Universiteit onder invloed te staan van – zoals Pim Fortuyn dat noemde – de linkse kerk. De invloed van de ASVA op de studentenbeweging en de vorming van linkse intellectuelen was veelal beslissend voor hun verdere ontwikkeling.

 

Hartstochtelijk namen ze deel aan allerhande activiteiten waaraan ze hun uiteindelijke wereldbeeld hebben ontleend. Hun toenmalige activiteiten waren zodanig dat ze jarenlang, dag en nacht, geschaduwd werden door de toenmalige BVD (de huidige AIVD).

 

In oktober 1968 rapporteerde een BVD-ambtenaar het volgende: “De ASVA dreigt een instrument van de Sovjets te worden, bij hun pogingen de Nederlandse samenleving in een voor hen gunstige zin te beïnvloeden en – als volgende fase – waar mogelijk te ontwrichten. Voor zover het de ASVA betreft is de rol van de KGB bij deze beïnvloeding wel evident.”

 

De laatste opmerking verdient een korte toelichting.

 

Er liepen banden van de ASVA naar de communistische “Internationale Vereniging van Studenten” (IUS), een mantelorganisatie van de KGB. IUS organiseerde samen met de World Federation of Democratic Youth (WFDY) onder meer wereldwijde “jeugdfestivals” die niet uitsluitend door communisten werden bijgewoond maar ook door zogenaamde sociaaldemocraten.

 

De meeste jeugdfestivals vonden in Oost‑Europa plaats. Ook PvdA’er Ad Melkert nam er deel aan. Het laatste Wereldjeugdfestival werd in 1985 in Mos­kou gehouden. Een voormalig secretaris‑generaal en president van IUS, de Tsjech Jiri Peli­kan die in 1968 naar het Westen vluchtte, verklaarde later dat organisaties als de IUS voor de Sovjets louter ‘onofficiële instrumenten van de buiten­landse politiek van de Sovjetunie’ waren.

Het is dus niet zo verwonderlijk dat ASVA betrokken raakte bij bijna alle in de inleiding genoemde revolutionaire bewegingen die door de Sovjets werden ondersteund.

 

De ASVA is sinds jaar en dag betrokken bij het NKP. Samen organiseerden ze:

 

– Het ‘hersenspoelen’ van docenten en jonge studenten.

– Werkkampen in Palestijnse gebieden.

– Een samenwerkingsverband tussen de UvA en de Palestijnse universiteit Bir Zeit.

Demonstraties.

– Congressen op het terrein en in de gebouwen van de UvA.

 

Tot zover ASVA, op naar de volgende. Hoe en door wie kwam het NPK tot stand?

 

Tijdens de oprichting van het NPK, op 14 mei 1969, kwamen in een café op het Amsterdamse Leidseplein de toenmalige oud communist en PSPer Piet Nak, ASVA-voorzitter, Bertus Hendriks, Kees Wagtendonk, Han Lammers (PvdA Nieuw Links), George Cammelbeek (PvdA Nieuw Links) en de Palestijn Mahmud Rabbani bij elkaar. Een aantal van hen wist reeds van wanten en hadden al enig ervaring met toenmalige communistische terroristen uit onder meer Algerije, Marokko, Syrië en Libanon.

 

Laten we enkele van de cafébezoekers op die 14e mei eens nader belichten.

 

Bertus Hendriks

 

Hendriks is een van de vele carrièreactivisten die het misdadige van Palestijnse terreurdaden tracht weg te poetsen met betogen als ‘ik keur het af maar je moet er wel begrip voor hebben.’ Terreurorganisaties, die weliswaar terroristische middelen gebruiken, zijn “geen terreurorganisatie”, aldus Hendriks. Hiermee trachten hij en zijn makkers niet alleen enige neutraliteit uit te stralen, maar voorkomen ze tevens dat ze hun Palestijnse kameraden tegen zich in het harnas jagen en houden zo hun jarenlange – vaak dubieuze – contacten ongeschonden in stand.     

 

Deze NPK’er van het eerste uur heeft zich als activist, wetenschapper en journalist omhooggewerkt tot een van Nederlands bekendste Midden-Oostendeskundigen. Met duistere zaken uit zijn verleden wordt hij liever niet geconfronteerd.

 

In een marathoninterview met de VPRO toonde hij zich verontwaardigd over mensen die meteen naar zijn NPK-verleden wezen om zodoende zijn objectiviteit in twijfel te trekken. Dat vond Hendriks merkwaardig, daar wilde hij niet aan worden opgehangen. Daarom wenste hij die periode niet te benadrukken.

 

Zijn standpunt in dezen is zeer begrijpelijk, zeker wanneer we zijn kleurrijke carrière nog eens nader bekijken.   

Zijn activistische activiteiten begonnen toen hij als student in Frankrijk in een cultureel kamp Franse studenten ontmoette die lid waren van de studentenbond Nationale de Etudiants de France (UNEF). UNEF was een marxistische organisatie en speelde in die periode een belangrijke rol in het Algerijnse en Marokkaanse verzet tegen de Frankrijk.

 

Hendriks vond hun verhalen buitengewoon interessant en nam enige inside informatie mee terug naar de Katholieke Universiteit te Nijmegen, de huidige Radboud Universiteit. Daar had hij een ontmoeting met de beruchte studentenleider en communist Ton Regtien. De man die zou gaan functioneren als initiator en bindmiddel tussen radicale studentenbewegingen in Nederland en het pad van Hendriks zou uitzetten naar de Amsterdamse studentenwereld. Samen zouden ze nog menig klusje klaren.

 

Regtien was reeds in 1956 besmet geraakt met het Algerijnse opstandelingenvirus. Dat had hij opgelopen tijdens zijn schoolvakantie in Frankrijk toen hij een ontmoeting had met een Algerijn die door de Franse politie gezocht werd. Deze ontmoeting trok hem diep in de Algerijnse zaak. In oktober 1960 was hij de initiatiefnemer van het uitbrengen van een speciaal nummer van het Nijmeegs Universiteitsblad over de Algerijnse opstand tegen de Franse overheersers. Daarin werd onverbloemd de kant van de opstandelingen gekozen. De toenmalig mondkrant van Moskou, Vrij Nederland, schreef: “Een voor deze universiteit en voor dit studentenblad ongekende daad – en voor andere studentenbladen (…) een duidelijke aanwijzing welke richting zij moeten gaan.” Voor Regtien was de directe aanleiding tot het artikel een persbericht van de club Actie Informatie Algerije waarin een aantal lieden zaten die zich later eveneens achter de Palestijnse zaak schaarden.

 

In 1963 richtte Regtien in Amsterdam de linkse Studentenvakbeweging (SVB) op naar het voorbeeld van de UNEF. In datzelfde jaar kreeg het SVB het voor elkaar dat één van hun bestuursleden, Jan Blok, gekozen werd tot voorzitter van het ASVA-bestuur. Al snel daarna groeide de aanwezigheid van de SVB-leden binnen de ASVA en kwam er een keerpunt in de tot dan toe nogal gematigde organisatie.

 

De ASVA werd steeds meer betrokken bij politieke kwesties die in de jaren vijftig taboe waren. Intussen had Regtien Hendriks betrokken in zijn plan om in Amsterdam de studentenbeweging te mobiliseren. Hendriks kwam niet aan studeren toe, hij had te druk met het organiseren van andere zaken en voelde zich betrokken bij revolutionaire bewegingen in de Derde Wereld.

 

Hendriks geloofde in de Culturele Revolutie van Mao en werd een soort Rode Gardist die de gevestigde orde te lijf moest gaan. Volgens een betrouwbare bron zouden hij en Aat van Praag lid zijn geweest van de Marxistisch-Leninistisch Centrum Nederland (MLCN), een Maoïstische afsplitsing van de CPN. Wetenswaardig is dat de in 1972 opgerichte Socialistische Partij (SP) een afsplitsing was van de Kommunistiese Eenheidsbeweging Nederland (KEN )die op haar beurt weer een voortzetting was van het Marxistisch Leninistisch Centrum Nederland.

 

In 1966 richtte Hendriks samen met Aat (ook wel Ad genoemd) van Praag de links radicale Cineclub Amsterdam op, als protest tegen de filmcensuur die politieke films over onderwerpen als de Viëtnam-oorlog verbood. Van Praag was een goede vriend van de beruchte propagandist voor communistische regimes, Joris Ivens, die contact had met overheden van zowel de Sovjetunie als China. Via Ivens kreeg Van Praag bijzondere documentaires in handen die voornamelijk afkomstig waren uit communistische landen. Volgens de oud-communist en voormalig bestuurslid van Cineclub, Leo Molenaar, was Cineclub door het MLCN ontworpen als ouderwetse ‘mantelorganisatie’.

 

Als snel groeide de Cineclub uit tot een landelijk netwerk en togen stafleden met projector en films door het land, waarbij het de opdracht was om niet slechts een discussie aan te kaarten, maar tevens tot een of ander actiebesluit van de aanwezigen te komen. Cineclub bracht een landelijk blad uit, bleef nauw samenwerken met ASVA en werd al snel een belangrijk middel om jongeren en studenten te mobiliseren.

 

In 1966 werd Hendriks tevens voorzitter van de ASVA voor een periode van een jaar. Een periode waarin de stammenstrijd tussen gematigde leden en SVB’ers hoog oplaaiden. De gematigden verloren steeds meer terrein en moesten uiteindelijk de strijd staken. Aan het eind van zijn voorzitterschap kon Hendriks tevreden terugblikken. De SVB’ers hadden het ASVA-heft geheel in handen.

 

Een van zijn eerste wapenfeiten als ASVA-voorzitter kwam in juni 1967, toen hij als woordvoerder in opspraak raakte omdat hij een anti-Israël verklaring had uitgebracht over de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en de Arabische buurlanden, Egypte, Jordanië en Syrië.

 

Tijdens zijn voorzitterschap gebeurden er nog een aantal zaken die de moeite waard zijn om te beschrijven, maar een en ander volgt een andere keer.

 

We gaan door naar het begin van 1968, toen er een roerige situatie in Europa ontstond. Overal kwamen studenten in opstand tegen de gevestigde orde. Op 21 februari hield de ASVA een ‘Internationale dag tegen het imperialisme en kolonialisme’ en in het bijzonder tegen de oorlog in Vietnam. Om de bijeenkomst en beetje kleur te geven hadden ze hun revolutionaire kameraden uit Duitsland, Rudi Dutschke en de Fransman Cohn-Bendit (tegenwoordig Europarlementariër voor de Groenen), uitgenodigd. De sfeer was opgewonden in de propvolle zaal. Dutschke presenteerde zijn plannen voor een zogenoemde stadsguerrilla in het Westen, geïnspireerd door de Vietcong, Che Guevara en de Latijns-Amerikaanse guerrilla. Wanneer hij het heeft over die alten Fascisten, von damals von Himmler bis über Claus von Amsberg, barst de zaal uit in gejoel en scandeert Claus raus!. Onder luid gejuich verliet hij na drie kwartier de bühne, waarna ASVA-voorzitter Peter Cohen de bijeenkomst afsloot met de belofte dat de komende maand in heel Europa anti-Amerikaanse acties zouden worden gehouden.

 

Bijna zeven weken later ging er schok door de ASVA gelederen toen op 11 april 1968 bekend werd dat Dutschke was neergeschoten. ASVA kwam onmiddellijk in het geweer – in samenwerking met ondermeer MLCN – om op de Dam in Amsterdam te protesteren. ASVA had de smaak te pakken. Enkele weken later, op 1 mei 1968, gingen ze weer de straat op. Gezamenlijk met de PvdA, de PSP, de Federatie jongeren Groepen, de Socialistische Jeugd en Politeia.

 

“Dood aan het kapitaal, dood aan het fascisme”, scandeerden ze. Er werden rode banieren meegedragen en portretten van ondermeer Stalin, Ho-Tsji-Minh, Che Guevara, Dutschke en Karl Marx. Uiteindelijk liep de demonstratie uit de hand en leidde tot gewelddadigheden en vernielingen in de stad. Een van de organisatoren was Hendriks maat, Ton Regtien.

 

In hoeverre Hendriks er zelf bij betrokken was heb ik in dit onderzoek niet kunnen achterhalen.

 

Op 10 mei ging ’s avonds in Parijs de eerste steen door de lucht en was de opstand tegen de Franse overheid een feit. UNEF was de belangrijkste organisator. De sfeer was grimmig en het regende stenen. De oproerpolitie probeerde een groep demonstranten tegen te houden, de menigte wierp barricades op en het ontaardde in een ware veldslag die dagen duurde. De Franse studenten hadden de oproep van de Dutschke en Cohn-Bendit een beetje te letterlijk opgevolgd. De universiteit Sorbonne werd dagenlang bezet. De posters van Mao, Stalin, Karl Marx en wapperende rode vlaggen sierden het binnenplein.

 

Posters van de studentenbeweging en vooral van de UNEF sierden menige muur in de stad. Ook waren er zogenoemde revolutietoeristen uit Nederland bij zoals Maarten van Traa, Harry Mulisch (een fel aanhanger van Fidel Castro), Rudolf Stokvis. Van Traa studeerde aan de Sorbonne, deed mee aan de rellen en deed voor Het Parool verslag van de onlusten. Uiteindelijk werd hij gearresteerd toen de politie in zijn Deux Chevaux pamfletten aantrof van de linkse studentenbeweging. Hij zat drie dagen in de cel en werd vervolgens met vier andere Nederlanders als ongewenst vreemdeling Frankrijk uitgezet wegens inmenging in binnenlandse aangelegenheden.

 

Intussen groeide er binnen de groep van Regtien en Hendriks steeds meer het idee om een variant van de Parijse studentenopstand uit te voeren. Regtien zat vol met ideeën want een maand vóór de opstand had hij nog intens overleg gevoerd met zijn kameraden in Parijs.

 

In die beruchte meimaand hielden ze acties tegen een plan van ingenieur August Godfried Maris, die in opdracht van het toenmalige kabinet De Jong een plan had bedacht voor een efficiënter universiteitsbestuur. Maar dat paste niet in het straatje van de SVB’ers binnen de ASVA. Ze eisten ‘inspraak op alle nivo’s’. Door het hele land gingen studenten de straat op, discussieerden in aula’s en betoogden in Den Haag voor de deur van Maris. Nederland werd benauwd voor een eigen ‘Parijs’: ‘Studentenrevolte ook hier?’, vroeg Het Parool zich bezorgd af.

 

De toen 23-jarige voorzitter van de Nederlandse Studenten Raad, Eduard Bomhoff, decennia later voor de LPF nog minister van Volksgezondheid in het eerste kabinet Balkenende, wees de regering fijntjes op de wereldwijde studentenonlusten: ‘ Vandaag denkt iedereen daarbij aan het buitenland. . Misschien is dat morgen niet meer het geval. ‘

 

In de loop van 1968 werden de studenten steeds brutaler. In het najaar protesteerden ze tegen het neerslaan van demonstraties in Mexico-stad en bezetten in Amsterdam het Mexicaanse consulaat. Ze wisten zich gesteund door de rector magnificus A.D. Belinfante van de Universiteit van Amsterdam en een rector magnificus van Nijmegen. Die zei tegen de studenten dat ze aan ‘het voorfront van een sociale revolutie’ stonden.

 

Regtien, Hendriks en talloze anderen wisten Nederland een jaar lang in de greep van een revolutiedreiging te houden.

 

Begin 1969 was het zover. Op 29 april werd de Hogeschool Tilburg door studenten bezet en omgedoopt tot de Karl Marx Universiteit. Acties, demonstraties, ultimatums en bezettingen volgden in vrijwel alle steden waar zich universiteiten of hogescholen bevonden.

 

Dan volgde op 16 mei om half negen ’s avonds het klapstuk. De eerder nog met hen sympathiserende rector magnificus A.D. Belinfante van de UvA kreeg een koekje van eigen deeg. Studenten slopen via een achterraam het Maagdenhuis binnen en bezetten het bestuurlijk centrum van de UvA. Regtien en Hendriks waren erbij. Even daarvoor was Regtien met een Morris volgepropt met krantjes, stencils en studenten uit Berlijn komen rijden, in de grote verwachting dat Parijs zich in Amsterdam zou gaan herhalen. Onmiddellijk steunden hun makkers van de toenmalige PSP en CPN de bezetting en al snel wapperde de rode vlag aan het gebouw. Er klonken kreten als: “God is dood, Mao leeft”, “Yankee, verdwijn uit Vietnam” en “Hier zijn we eindelijk thuis, in ons eigen Maagdenhuis”.

 

Tijdens de bezetting speelde Hendriks een leidende rol. Hij was bestuurslid van het bezettingscomité en voorzitter van de plenaire vergadering. De plenaire vergadering besliste over alle activiteiten die door de bezetters werden uitgevoerd. Kasten, bureaus en zelfs de kluis in de kelder van het Maagdenhuis werd opengebroken. Alle documenten die men interessant vond werden gekopieerd (6.3). Volgens de toenmalige burgemeester Samkalden was het de ASVA bekend dat: “de bezetting van het Maagdenhuis aan het functioneren van de universiteit ontoelaatbare schade toebrengt.”

 

Geweld werd niet geschuwd, wat bleek toen de politie een eerste poging deed om de boel te ontruimen. Zo werden ze bekogeld met flessen, serviesgoed, meubilair en brandspuiten. Volgens Hendriks werd de aanval ‘succesvol afgeslagen’.

 

Hendriks onderhandelde namens de bezetters met politie, gemeente en universiteitsbestuur.  Vlak voor de ontruiming op 21 mei pompte Hendriks er bij de bezetters enkele belangrijke regels in: “Zingen, boe-roepen, verder niets zeggen. Laat je niet provoceren!” (Zozzaro archief,  Maagdenhuisbezetting. Een analyse. Van Gennep (1969), pagina 2.11b,2.20, 2.37).

 

Hendriks was een druk baasje, behalve de geplande bezetting stond er nog een andere zaak op stapel. Die vond twee dagen vóór de bezetting van het Maagdenhuis plaats: op 14 mei, de dag van de oprichting van het NPK. De 14e was als oprichtingsdatum gekozen omdat die dag door de Palestijnen werd herdacht als hun ‘verdrijving’ in 1948.

 

Een jaar na de oprichting werd Hendriks voorzitter en woordvoerder van het NPK en zou dit tot 1978 blijven. Een turbulente periode die getekend werd door de voortdurende vliegtuigkapingen en de moord op elf Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München van 1972.

 

Inmiddels had Hendriks een dubbele pet op en was naast de PKN activiteiten begonnen met een wetenschappelijke carrière aan de Universiteit van Amsterdam. Als docent politieke antropologie van de Arabische en Islamitische wereld. In 1989 kwam hij bij de Wereldomroep terecht waar hij van 1989 tot 1994 hoofd was van de Arabische afdeling van Radio Nederland. Daarna was hij tot aan zijn pensioen in 2007 Midden-Oostenspecialist voor alle taalafdelingen van de Wereldomroep. Intussen trad hij steeds vaker op als deskundige in NOVA, het NOS Journaal en ander radio- en televisieprogramma’s om daar een nadere uiteenzetting te geven van wat er op dat moment aan de hand was in het Midden-Oosten. Sinds oktober 2008 is hij voorzitter van de journalisten en schrijversclub On File. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt gebruik van zijn diensten.

 

In zijn carrière heeft Hendriks als activist en als journalist de voormalige PLO-leider Arafat meerdere keren ontmoet, in Beiroet, in Algiers en in Egypte. Na Arafats dood is Hendriks ‘op een ander paard gaan wedden’, t.w. Hamas.

 

Wie de moeite kan opbrengen om Hendriks langdurig aan te horen (drie sessies van een uur) raad ik aan om het VPRO marathon interview met hem op 4 januari 2008 te beluisteren.

 

Dit interview geeft namelijk een aardige indruk over de merkwaardige wijze waarop Hendriks zijn eigen geschiedenis belicht. Neem zijn toelichting (0:17:20-0:19:25 ) over de wijze waarop zijn eerste reis naar Israël en de Palestijnse gebieden tot stand was gekomen.

 

“Midden in de bezetting van het Maagdenhuis  komt eh, eh, mijn vriend naar me toe en zegt we hebben een uitnodiging om iemand mee te sturen op een fact-finding mission, een reis naar het Midden-Oosten.” Volgens zijn vriend had hij zich daar indertijd mee bezig gehouden en daarom moest hij maar mee. “Dat vond ik wel een interessante gedachte”, aldus Hendriks. Volgens hem was de reis tot stand gekomen door een interview van ‘de grote held van de Februaristaking’ (…), Piet Nak. Deze had zich ook al geroerd in het Vietnamdebat en was ook een van de grote leiders van de massademonstraties die tegen de Amerikaanse politiek in die jaren werd gehouden (…) Piet Nak leest in het Vrije Volk een interview met Mahmoud Rabbani, de Consul van Koeweit, maar hij was eigenlijk een Palestijnse vluchteling die hier zakenman was geworden en die een beetje de informele ambassadeur was van de Palestijnen in Nederland (…) Piet Nak die leest dat interview en denkt: ‘tja, dat heb ik nooit geweten’ en belt Rabbani op. En Rabbani, een scherp politiek instinct, die had in één keer in de gaten ‘ik heb hier goud in de handen’, dus die zegt ‘ik ga een reis organiseren’, dus die wilde meteen een eerste klas missie van ministers en Kamerleden uit Nederland naar die Arabische landen en dan met Piet Nak ook erbij. Maar ja, er was geen minister of Kamerlid in Nederland die zich aan dit controversiële conflict de vingers wilde branden dus wat gebeurde er: Rabbani viel terug op het tweede echelon. Dat waren jongerenorganisaties, studentenorganisaties en zo kwamen ze dus ook bij de ASVA terecht.”

 

Wanneer we in het kort de feiten op een rij zetten is het bovenstaande op zijn minst dubieus te noemen. Met name Hendriks versie van de totstandkoming van de Midden-Oosten reis. Hendriks verdraait of verzwijgt enkele belangrijke feiten. Namelijk dat hij Rabbani al eerder bij een belangrijke bijeenkomst had leren kennen, tijdens de oprichting van het NPK op 14 mei 1969. Pas enkele dagen later begon de Maagdenhuisbezetting die van 16 tot 21 mei 1969 duurde.  

 

Mogelijk is dit tekenend voor de Nederlandse Midden-Oosten deskundige die al jaren als een paling in een emmer snot door het Palestijns-Israelisch probleem glibbert. Hij is een levendig voorbeeld van de mensen die zeer lucratief “Het pad van Marx naar Allah” bewandelen. Eerst steunde hij jarenlang het marxistische regiem van de PLO, om ze vervolgens tijdens de Palestijnse verkiezingen in Rammalah in januari 2006 te beschuldigden van corruptie en vriendjespolitiek (iets dat al jaren een publiek geheim was). Vervolgens omschrijft hij de radicale fundamentalistische Hamas als een organisatie met “een schone en eerlijke reputatie. Op 11 januari 2009 verscheen hij met een aantal van zijn deskundige kameraden in een kleurrijke documentaire van de Nederlandse Islamitische Omroep (NIO). Ook hier glibberde hij weer om de misdadige praktijken van Hamas heen. “Hamas is geen terreurorganisatie, Hamas gebruikt weliswaar terroristische middelen ehhh, evenals de meeste bevrijdingsbewegingen gedaan hebben, zoals in Algerije (…)”.  

 

Mahmoud Rabbani.

 

Rabbani was een Palestijn in hart en nieren en zijn grote droom was een eigen Palestijnse staat. Zonder hem was het NPK waarschijnlijk een snelle dood gestorven en waren de betrokken haatzaaiers waarschijnlijk niet verder gekomen dan het niveau van een levenslang uitkeringtrekkende activist. Rabbani opende deuren, zorgde voor aanzien, contacten en financiën voor allerhande activiteiten. Ook voor politici, journalisten, wetenschappers en captains of industry was Rabbani niet alleen de sleutel tot de PLO-top, maar ook tot de rest van de Arabische wereld.

 

In 1956 kwam hij naar Nederland en wist hij binnen de kortste keren op slimme wijze politici en de media voor zich te winnen. Desondanks kregen hij en zijn gezin pas na een lang gevecht op 5 juni 1981 het Nederlandse staatsburgerschap. Toen hij in het turbulente jaar 1973 een officiële aanvraag deed voor het Nederlanderschap werd dat afgewezen. De toenmalige minister van Justitie Glastra van Loon schreef: “De heer Rabbani is te veel Palestijn om ooit Nederlander te worden.” Volgens Rabbani kwam dit omdat zijn politieke uitlatingen tijdens de Koude Oorlogsperiode als communistisch geïnterpreteerd werden. Maar andere boze tongen beweren dat hij Nederland enorme schade had toegebracht.

 

In hoeverre hij in verband werd gebracht met de Al Fatah aanslag in Nederland  (6 februari 1972) is nooit boven water gekomen. Fatah-terroristen plaatsten bommen bij twee verdeelstations van de Gasunie. Eén werd tijdig ontdekt, de ander zorgde voor veel schade. Des te opmerkelijker is het dat enkele jaren later een Al Fatah terrorist naar Nederland zou komen en ongestoord kon plaatsnemen in het NPK.

 

Terug naar 1973.Volgens het toenmalig dagblad De Tijd zou Rabbani de Arabische landen geadviseerd hebben tot een olieboycot van Nederland in dat jaar. Rabbani had verklaard dat deze olieboycot niet gebaseerd was op de recente ontwikkelingen, maar op de jarenlange pro-Israël houding van Nederland, zonder ook maar enig begrip te hebben voor de Arabische standpunten.

 

In de media verschenen berichten dat hij een radicale agent zou zijn van de terreurgroep Al Fatah, studenten gratis Arabische vluchtelingenkampen liet bezoeken en terroristische methoden aan zou prijzen. Vanzelfsprekend ontkende Rabbani in alle toonaarden. Nog geen jaar later zou blijken dat leden van het door hem gesteunde NPK diep in het Palestijnse terreurnetwerk zaten. In het hoofdstuk ‘Nederlanders in dienst van de Palestijnse terreur’ zal ik daar nader op ingaan.

 

De ware feiten over het waarom van het jarenlange weigeren van zijn Nederlanderschap ligt waarschijnlijk diep verstopt in de archieven van de AIVD of zijn om moverende redenen verwijderd. In mijn summiere onderzoek naar zijn achtergrond is hier en daar een vermoeden gerezen en dit vermoeden is zeker de moeite waard om op een later tijdstip eens nader uit te zoeken.

 

Rabbani’s lijfspreuk was: “Je kunt wel idealist zijn, maar je moet je idealen wél verwezenlijken. Dat lukt alleen als je iets voorstelt, niet alleen voor jezelf, maar ook voor de buitenwereld. En wanneer stel je iets voor? Als je beschikt over invloedrijke relaties. Relaties moet je opbouwen én koesteren.”

 

Rabbani, een korte toelichting van een meestermanipulator die zijn weerga niet kent.

 

Mahmoud Rabbani werd in mei 1935 in Haifa geboren, waar hij opgroeide tot 1948. Toen brak de Israëlisch-Arabische oorlog uit en vluchtte het gezin naar Tyrus in Libanon om zich later bij familie in Damascus te voegen. Daar zaten ze kortstondig in het vluchtelingenkamp Aleppo om weer terug te keren naar Libanon. In Ras al Metin zocht het gezin een organisatie op van de Amerikaanse quakers. Die zorgden dat Mahmoud en zijn broer een beurs kregen om te studeren op een Amerikaanse school. Op zich niet zo vreemd omdat de quakers de Palestijnse zaak al steunden sinds 1948.

 

Na een jaar verhuisde hij naar zijn familie in Damascus in Syrië. In die tijd werd de Egyptische president Gamal Abdul Nasser in de Arabische wereld op handen gedragen. Zijn felle toespraken maakten grote indruk op de jonge Rabbani. Hij voelde zich een kleine Nasser en imiteerde diens gedrag.

 

In oktober 1955 vormden Syrië en Egypte een gemeenschappelijk militair opperbevel met Damascus als hoofdkwartier. Van de Sovjet-Unie werden grote hoeveelheden wapens betrokken, terwijl Syrië met de Sovjets ook economische verdragen sloot.

 

Aan het begin van de vijftiger jaren ontmoette Rabbani in Damascus de man die zijn verdere leven diepgaand zou bepalen: Zafrulla Mohammed Khan. Khan was op dat moment de Pakistaanse minister van Buitenlandse Zaken en vertegenwoordiger van Pakistan in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN). Tevens was hij de VN-woordvoerder voor Palestijnse zaken namens de Arabische wereld.

 

Khan was zeer anti-Joods en fel gekant tegen de staat Israël. Reeds in mei 1948 had hij aan de Britse minister van Buitenlandse Zaken laten weten dat Pakistan Israël nooit zou erkennen. Tevens was hij een felle bestrijder van het toenmalige

kolonialisme in Libië, Noord Ierland, Tunesië, Marokko en Algerije en steunde hij de opstandelingen in die landen. Rabbani had wel eens van hem gehoord omdat zijn vader Khan had ontmoet toen deze deel uitmaakte van een VN-onderzoekscommissie naar de Israëlisch-Palestijnse gebieden.

 

Toen Khan op bezoek was in Damascus hoorde hij toevallig dat de familie Rabbani daar haar domicilie gekozen had en liet hen via het Syrische ministerie uitnodigen in zijn hotel. Vanaf dat moment liet Khan de familie niet meer uit het oog. Reden? Rabbani’s aantrekkelijke zus Busra. Zij was nog maar begin twintig en hij al in de vijftig. Kort daarop traden ze in het huwelijk.

 

Khan ontpopte zich al snel als een tweede vader voor Rabbani. Hij bezorgde hem een baan op de Pakistaanse ambassade in Damascus en leerde hem het politieke jongleren.

 

In 1952 werd Khan benoemd tot rechter bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag en vertrok naar Nederland. Op uitnodiging van hem kwam Rabbani in augustus 1956 naar Nederland om in Delft te gaan studeren. Khan betaalde zijn collegegeld plus een maandelijkse toelage.    

 

In die tijd waren er onder studenten veel discussies over de Algerijnse opstand tegen de Franse overheersing. Wanneer Rabbani de Palestijnse zaak bij de discussies betrok liep hij tegen een muur van wantrouwen. Het was namelijk midden in de Koude Oorlogsperiode en de Arabische ambities werden nauw geassocieerd met het communisme. In dit kader is het wetenswaardig dat Rabbani in 1957 op kosten van Ton Philips (telg uit de bekende Eindhovense familie) met een aantal andere studenten werd meegenomen naar een conferentie in Michigan, waar jonge mensen uit de gehele wereld werden geharnast tegen het communisme. Een Japanse maat van Philips had hem op dat idee gebracht. De Japanner maakte zich zorgen over het bezoek van een Japanse jongerenorganisatie aan Moskou om deel te nemen aan het wereldjeugdfestival van de World Federation of Democratic Youth (WFDY). Hij wilde voorkomen dat de groep door de Sovjets geïndoctrineerd werd en stuurde hen eerst naar dat centrum in Michigan. Hoewel voor de cursus drie weken waren uitgetrokken, hield Rabbani het na tien dagen voor gezien.

 

In 1958 reisde hij naar Damascus om zijn toekomstige vrouw te bezoeken. Toevallig was 1958 ook het jaar waarin Kees Wagtendonk (medeoprichter van het NPK) Syrië bezocht en met communistische jongeren in contact kwam die deel hadden genomen aan het wereldjeugdfestival van de IUS/WFDY in Moskou. Tevens bezocht Wagtendonk een Palestijns kamp in Damascus.

 

Na drie jaar hing Rabbani zijn studie aan de wilgen, leende geld van Khan en startte in Den Haag zijn eigen onderneming: The Middle East Bureau for the promotion of Economic Relations (MEPER).

 

Zijn eerste kapitaal verzamelde hij door handel te drijven met de FLNA, het gewapende verzet in Algerije. Daar ontmoette hij Ben Bella, de leider van het FLNA die hart had voor de Palestijnse zaak en later zou dienen als voorbeeld voor de Al Fatah/PLO (Mahmoud Rabbani. Palestijn in Nederland, door Jeroen Terlingen en Karel Roskam, pagina 48). De relatie tussen het FLNA en Rabbani was zo nauw dat hij voor het Algerijnse onafhankelijkheidsfeest in 1962 als eregast werd uitgenodigd.

 

Wetenswaardig is dat Ben Bella begin jaren zestig van de vorige eeuw een aantal Nederlanders wist te betrekken in zijn gewapende strijd, waaronder de Amsterdamse studente Margreet Koekebakkers en de revolutionair communist Sal Santen. In het boek van Niek Pas Aan de wieg van het nieuwe Nederland. Nederland en de Algerijnse oorlog 1954-1962 is daarover het nodige te lezen.

 

Dankzij het netwerk van Khan werd Rabbani in 1966 honorair consul van de oliestaat Koeweit. Zijn diplomatieke invloed groeide net als zijn zakenimperium. Hij ontpopte zich als een succesvol zakenman en geliefd gastheer. Op zijn recepties – waar geen gebrek was aan exclusief eten en drinken – dromden diplomaten, captains of industry en ministers om hem heen.

 

Zowel voor de politiek, industrie en de Palestijnse revolutie werd hij een bruggenbouwer tussen Nederland en de Arabische wereld. Zijn invloedrijke werk als zakenman/consul voltrok zich vooral achter de schermen. Zijn invloed op de Nederlands-Arabische betrekkingen, zowel diplomatiek als zakelijk, was groter dan van veel fulltime diplomaten. Onder zijn vaste klanten waren een groot aantal Nederlandse multinationals die aanzienlijke tarieven betaalden voor zijn diensten. Maar daarvoor verschafte hij dan ook een goede entree bij de juiste man op de juiste plaats in de Arabische wereld.

 

In 1979 verbond Rabbani de naam van zijn moeder aan een door hem opgerichte stichting, de Lutfia Rabbani Stichting. Een van de belangrijkste activiteiten van de stichting bestond en bestaat nog steeds uit steun voor studentenuitwisseling tussen Nederland en de Arabische wereld. Op de lijst van bestuursleden en de Raad van Advies van de stichting staan een aantal indrukwekkende namen. Het merendeel van deze personen hebben een belangrijke rol gespeeld in zijn strijd voor de Palestijnse zaak.

 

Om te voorkomen dat het te duidelijk was dat het NPK een mantelorganisatie was van de PLO, trad Rabbani in 1969 niet toe tot het bestuur, maar speelde hij zijn rol achter de schermen. Zijn taak bestond onder meer uit het binnenhalen van prominente PvdA’ers voor de Palestijnse zaak, waaronder Hein Roethof, Klaas de Vries, Relus ter Beek en Wim Albers.

 

Hein Roethof ging midden jaren zeventig deel uitmaken van een Euro-Arabische groep die een dialoog voorstond met de PLO. Klaas de Vries werd onder meer medevoorzitter Parlementaire Associatie voor Euro-Arabische samenwerking en Wim Albers werd de voorzitter. In die tijd werd ook de huidige fanatieke verdediger van de Palestijnse zaak, Dries van Agt (toenmalig minister van Justitie), door Rabbani binnengehaald. Zo mocht Van Agt ondermeer met een door Rabbani georganiseerde reis mee naar Egypte, Syrië, Jordanië en Koeweit. Wetenswaardig is dat diezelfde Van Agt gedurende die reis vanuit een hotelkamer zijn staatsecretaris Glastra van Loon trachtte te ontslaan; de man die schreef: “De heer Rabbani is te veel Palestijn om ooit Nederlander te worden.”

 

Ook kopstukken uit de media werden door hem bewerkt waaronder: de toenmalige hoofdredacteur van Vrij Nederland, Mathieu Smedts (die hij als bruggenhoofd gebruikte om te infiltreren in de journalistieke wereld), J. Luyten (Volkskrant), P. de Vink (Het Vrije Volk), Karel Roskam (VARA) en L. Braamhorst (KRO). Volgens Roskam werd Rabbani door een vaste kern geaccepteerd als een ‘gulle, gastvrije en uitstekende bron’. Niet zo verwonderlijk wanneer we weten dat de eerder genoemde heren dankzij Rabbani een goedverzorgde, drieweekse ‘oriëntatiereis’ door Egypte, Jordanië, Syrië en Libanon konden maken. Overigens bleef Roskam een zeer goede vriend van Rabbani, die tot zijn dood actief betrokken bij het Marjolein Roskam Fonds.

 

Rabbani was een meester in het manipuleren van belangrijke figuren binnen de media. Zelfs de rechtse en invloedrijke journalist Thomas Lepeltak liet zich door hem inpalmen. In zijn boek Journaal. Meer zeg ik niet doet hij het een en ander uit de doeken. Lepeltak was naar Rio de Janeiro gegaan om te schrijven over het wereldbekende carnaval. Bij aankomst in het hotel stuitte hij op Rabbani. “Dat betekent dat je geen tijd hebt om je om te kleden”, aldus Lepeltak, want Rabbani zei meteen: “Je moet nu met mij mee naar het penthouse van Saad, de grote baas van het carnaval. Hij is Libanees. Het hele carnaval is in handen van Libanezen (…) Met de hulp van mijn vriend Saad kun je overal naar binnen en zit je frontloge.” Na een korte beschrijving van het feest schrijft Lepeltak: “Later terug in het hotel Meridien op Copacabana wilde Mahmoud absoluut mijn kamer inspecteren. Het was een peperduur eenpersoonskamertje aan de achterkant van het hotel. Mahmoud werd boos. ‘Jij moet de Seaview hebben, Zeezicht. Ik neem wel contact op met de directeur. Pak niets uit.’ Twintig minuten later werd er op mijn deur geklopt. Daar stond de directeur met twee koffersjouwers; ik werd verhuisd naar een etage die bijna helemaal was afgehuurd door de Saudische prins Turki”, aldus Lepeltak op pagina 19-20 van zijn boek.

 

En zo duurde het dan ook niet lang tot het grote publiek via dag- en weekbladen en radio- en tv-uitzendingen op een nogal eenzijdige wijze kennis nam – en neemt! – van de Palestijnse zaak.   

 

Rabbani liet het nodige geld rollen voor allerhande sightseeing trips naar Palestijnse gebieden en vluchtelingenkampen, en niet alleen voor journalisten en politici, maar ook voor studenten en Palestijnvriendelijke activisten.

 

Toen de PLO een kantoor in Den Haag opende financierde Rabbani dat vele jaren. In 1991 werd hij gekozen in de Palestijnse Nationale Raad. Tevens was hij voorzitter van de Stichting Palestina-Nederland en zette projecten op in de Palestijnse gebieden.

 

30 mei 2002 overleed hij in Wassenaar op 68-jarige leeftijd. Pas vijf jaar voor zijn overlijden nam hij in een open brief aan Yasser Arafat afstand van het corrupte leiderschap van de PLO en riep hij op tot hervormingen. Verbitterd omschreef hij het geheel als ‘een schertsvertoning’ en stelde zijn zetel in de PLO-raad ter beschikking.

 

Intussen tracht één van zijn zonen, Mouin Rabbani, al geruime tijd het stokje van zijn vader over te nemen. Maar daarover later meer.

Wordt vervolgd.


Job Cohen: geen slappe thee maar sterke koffie

januari 20, 2009

 

Die Cohen, geen slappe thee meer maar mogelijk alleen nog maar sterke koffie.

 

http://www.parool.nl/parool/nl/4/AMSTERDAM/article/detail/127342/2009/01/20/Cohen-sluit-kraakbolwerk-Vrankrijk.dhtml

 

http://www.parool.nl/parool/nl/4/AMSTERDAM/article/detail/127421/2009/01/20/Maat-vol-na-ernstige-mishandeling-in-krakerskroeg.dhtml

 

En … hallo meneer Van der Laan eist u nu uw luikje terug?

 

https://petersiebelt.wordpress.com/2008/12/18/het-van-der-laanse-luikje-klppert/

 

https://petersiebelt.wordpress.com/2008/12/05/open-brief-aan-minister-van-der-laan/

 

https://petersiebelt.wordpress.com/2008/12/03/de-ultieme-oplossing-het-van-der-laanse-luikje/

 

 


GOEDE MORGEN 2009

januari 1, 2009

Goede morgen 2009, goede morgen vrienden, kennissen en trouwe bezoekers.
Ik wens jullie een goede gezondheid en veel geluk in dit nieuwe jaar.

Tevens spreek ik de hoop uit dat we met ons allen in goede samenwerking er voor gaan zorgen dat de vieze nesten van de Haagse, provinciale en gemeentelijke politiek nu eindelijk eens op duurzame wijze worden schoongeveegd.


HET VAN-DER-LAANSE-LUIKJE KLEPPERT

december 18, 2008

 

 

Al is de leugen nog zo snel – of liever gezegd: duurt het zwijgen van de politiek Haagse en politiek correcte media nog zo lang – de waarheid achter hem wel.

 

 

http://keesjemaduraatje.web-log.nl/keesjemaduraatje/2008/12/trouw-zegt-het.html

 

http://www.refdag.nl/artikel/1379641/De+man+van+het+luikje.html

 

http://loorschrijft.web-log.nl/verwondering_is_het_begin/2008/12/hoofdstedelijke.html 

 

http://www.trouw.nl/opinie/columnisten/article1926419.ece/Bloedend_lag_de_kraker_op_de_stoep.html

 

http://home.hetnet.nl/~c.brendel/Gezellig.htm


OPEN BRIEF AAN MINISTER VAN DER LAAN

december 5, 2008

 

Loosdrecht.

 

Aan Mr. E.E. Van der Laan, minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

 

Geachte heer Van der Laan,

 

Gisteravond heb ik met grote aandacht uw optreden in de Tweede Kamer mogen volgen. Chapeau. Als nieuweling wist u zich kranig tegen de kritische vragen te verweren.

 

Toch heb ik een belangrijk punt waarvoor ik uw bijzondere aandacht vraag.

 

Het betreft uw reactie op een motie van het Kamerlid Jansen naar aanleiding van uw jarenlange belangenverstrengeling met de woningbouwcoöperatie Rochdale als advocaat. U liet weten dat u voor uw aantreden als minister alle banden met uw advocatenkantoor had verbroken. Op bescheiden wijze vertelde u aan de voltallige Kamer dat u zelfs een brief van de deken van de Amsterdamse orde van advocaten had ontvangen, waarin deze schreef dat hij nog nooit in zijn leven zo’n razendsnelle beëindiging had gezien. Volgens uw eigen zeggen waren die woorden vermengd met zijn verdriet over uw vertrek.

 

Of en op welke wijze u daadwerkelijk geen banden meer heeft met uw voormalige kantoor, kan en wil ik op dit moment niet beoordelen. Waar het mij wel om gaat is uw volgende reactie op de motie van de het Kamerlid Jansen:

 

“Evenals de Kamer en de heer Jansen wil ik ontzettend voorzichtig zijn. Ik kom uit een bepaalde hoek, maar mijn praktijk bestond juist uit cliënten die veel te maken hadden met integriteit. Onder die cliënten bevond zich bijvoorbeeld de Vereniging voor rechtspraak, de rechters en de officieren van justitie zelf. Ik noem ook het Van Traa-team in Amsterdam. Ik zal hierover niet uitweiden, maar er slechts op wijzen dat ik helemaal niet uit de gevaarlijke hoek kom. Ik zal ook ruzie krijgen met journalisten als die te gemakkelijk een bepaalde relatie zien. Vanwege het enkele feit dat ik naar Den Haag ben gegaan, wil ik namelijk mijn naam niet in verband brengen met mensen die in de minder integere hoek zitten.”

 

Mede omdat ik op 3 december 2008 een verhaal op mijn weblog heb geschreven over u en de mensen “die in de minder integere hoek zitten” rijst bij mij de vraag of wij in dit verband nu ruzie hebben of dat u aan mij – en aan mijn lezers – nadere uitleg gaat geven.

 

Verder ben ik hevig geïnteresseerd in uw antwoord op de navolgende vragen:

 

– Heeft uw toenmalig advocatenkantoor kosten in

  rekening gebracht bij de gemeente Amsterdam voor

  uw onderhandelingen met het krakersbolwerk

  Vrankrijk? Zo ja, hoe groot waren de bedragen?

 

– Kende u de achtergronden van de personen

  (vertegenwoordigers van Vranrijk) waarmee u om de

  tafel zat?

 

– Was en bent u nog steeds tevreden over het

  eindresultaat?

 

In afwachting van uw spoedige antwoord, verblijf ik,

 

hoogachtend,

 

Peter Siebelt

 

 

 

 

 


DE ULTIEME OPLOSSING: HET VAN DER LAANSE LUIKJE

december 3, 2008

 

Voor velen kwam het als een verassing, de nogal brute wijze waarop Ella Vogelaar als minister van Wonen, Wijken en Integratie door haar partij aan de kant werd gezet. Ook het aantreden van haar al achter de coulissen klaarstaande vervanger, Eberhard van der Laan wekte verbazing. Van hem wordt verwacht dat hij orde en rust zal gaan scheppen in de wanorde van zijn socialistische voorganger, onder meer in de zogenoemde veertig Vogelaarwijken.

 

Hij moet wel fantastisch zijn, want over zijn aanstelling regende het  complimenten. Volgens onze minister-president Balkenende, kan Van der Laan zich goed vinden in de ambities van het kabinet: “Zijn ervaring en motivaties bieden perspectief voor de toekomst. Met vertrouwen verwelkom ik hem als lid van het kabinet.”

 

Vice-premier Wouter Bos omschreef Van der Laan als iemand die uitmuntende kwaliteiten heeft om mensen bij elkaar te brengen en te houden, en daarbij verworven vrijheden compromisloos zal verdedigen. De ervaringen van Van der Laan als advocaat en mediator zijn volgens Bos “buitengewoon belangrijk” om alle partijen die betrokken zijn bij de probleemwijken op één lijn te krijgen.

 

Ook zijn partijgenoot en Amsterdams burgervader Job Cohen kan zijn geluk niet op. Hij vind Van der Laan een ijzersterke vervanger van Vogelaar en kent hem goed: “Hij heeft de afgelopen jaren in Amsterdam ten behoeve van het gemeentebestuur een heleboel dingen gedaan. Vaak ging het om ingewikkelde onderwerpen en zijn bijdrage is altijd van onschatbare waarde geweest.” In een ANP-publicatie van 14 november 2008 denkt Cohen bijvoorbeeld terug aan de tijd toen hij net burgemeester van de hoofdstad was. Van der Laan heeft toen geadviseerd over hoe om te gaan met het krakersbolwerk Vrankrijk. “Hij heeft toen gewerkt naar een compromis.”

 

Dat klinkt veelbelovend, Van der Laan als een “mediator”, een “perspectief voor de toekomst”,  “buitengewoon belangrijk” en “altijd van onschatbare waarde geweest”. Maar wie is deze man eigenlijk?

 

Terwijl Eberhard van der Laan namens de gemeente Amsterdam onderhandelde met de krakers van Vrankrijk zat ook een latere medewerker van zijn advocatenkantoor Kennedy Van der Laan aan tafel. Als kraker welteverstaan. Vijf maanden na de onderhandelingen stond hij op de loonlijst van Van der Laan…

 

Eberhard van der Laan is al dertig jaar lid van de Partij van de Arbeid. In zijn achtjarige bestuursfunctie (1990 – 1998) in de gemeenteraad van Amsterdam was hij de laatste vijf jaar fractievoorzitter van de meest invloedrijke partij van Amsterdam, de PvdA.

 

Begin jaren negentig richtte hij samen met zijn compagnon het advocatenkantoor Kennedy Van der Laan op (ca. honderd advocaten). Een van de belangrijkste opdrachtgevers van dit kantoor is al jarenlang de Gemeente Amsterdam. Naast zijn werk als advocaat is Van der Laan ook lid van de Raad van Toezicht Publieke Omroep.

 

Begin 2008 stonden nog acht boomdeskundigen aan zijn bureau, om een conflict uit te vechten over de door dikrandtonderzwam aangetaste kastanje waar Anne Frank vanuit het Achterhuis op uitkeek. Van der Laan was als mediator ingehuurd om de voor- en tegenstanders van omkappen uit hun loopgraven te trekken. Met succes. De boom kreeg een stut.

 

Een ander wapenfeit is het door Cohen aangehaalde compromis dat Van der Laan voor elkaar kreeg rondom de perikelen van het krakersbolwerk Vrankrijk in de Amsterdamse Spuistraat. Bij dit laatste zo door Cohen ‘bejubelde’ maar dubieuze wapenfeit komen enkele vragen bovendrijven: Voor wie is Van der Laan van onschatbare waarde geweest? Voor de PvdA? Voor de terroristen die het krakersbolwerk Vrankrijk beheren? Voor zijn eigen advocatenkantoor? Wie heeft hem voor dit compromis betaald? Kunnen we van hem in zijn huidige positie als minister van Wonen, Wijken en Integratie eenzelfde soort compromis verwachten?

 

Leest u even mee en oordeel zelf over de onschatbare waarde van deze mediator en het mogelijke toekomstperspectief voor de veertig zogenoemde Vogelaarwijken in Nederland.

 

Het is januari 2001. O, o, wat de toenmalige Amsterdamse burgemeester Schelto Patijn er niet voor over gehad om vlak voor zijn afscheid de geschiedenis in te gaan als de burgervader die het had klaargespeeld om na 18 jaar gedogen toch iets te regelen om het café op de begane grond van het krakersbolwerk Vrankrijk te legaliseren. Daarmee zou het café de status krijgen als iedere andere horecagelegenheid. Maar de krakers werkten niet mee, ze zagen Vrankrijk niet als zomaar een café maar een politiek en cultureel centrum. En omdat het niet in hun aard lag, had de bargroep die het café exploiteerde het nooit nodig gevonden om hiervoor de nodige vergunningen aan te vragen. Laat staan om überhaupt aan de daarvoor gestelde eisen te voldoen. Vooral het idee dat de politie te allen tijde kon controleren – wat van toepassing was voor de tientallen restaurants en cafés om hen heen – was voor hen onacceptabel.

 

Al twee jaar lang deed de gemeente verwoede pogingen om de krakers over de streep te halen. Het mocht niet baten. Ze hielden voet bij stuk: Géén politie over de vloer.

 

Intussen werden de protesten vanuit de Amsterdamse horeca – en ook uit politiekringen – steeds heviger. Het café met bijbehorende disco was de omliggende horeca-exploitanten een doorn in het oog. Terwijl zij aan een waslijst van voorwaarden moesten voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen, was Vrankrijk in het kader van het gemeentelijk gedoogbeleid overal van vrijgesteld. Overheidsdienaars was het zelfs door de Amsterdamse politiek verboden om hun taak uit te voeren. Intussen kregen de tientallen cafés en restaurants in de omgeving bijna dagelijks controleurs over de vloer terwijl er schielijk aan de deur van Vrankrijk werd voorbijgegaan. Het horecawezen pikte dit niet langer en dreigde naar de rechter te stappen.

 

Noodgedwongen kwam de gemeente in beweging. Patijn regelde zelf een afspraak met de krakers in een uiterste poging de kwestie alsnog te regelen.

 

Mispoes, de deur van Vrankrijk bleef letterlijk en figuurlijk voor hem gesloten. “Want als je principieel politie de toegang weigert, ontvang je De Baas toch niet?” (Het Parool van 25 november 2000).

 

Daar stond hij dan, de Amsterdamse burgervader, met lege handen, hoofdschuddend en mompelend naast zijn dienstauto: “Oh, wat stom. Ik kwam zaken doen. (…) Wat een klunzen, ongelooflijk.” Patijn was boos, hij dreigde met sluiting van het pand en stuurde Vrankrijk een brief. Hierin kondigde hij aan dat er bestuurlijke maatregelen zouden volgen indien de krakers niet alsnog een vergunning voor het café zouden aanvragen.

 

De krakers raakten er niet van onder de indruk. Met Patijn zouden ze er toch nooit uit komen, want politie over de drempel bleef een taboe. “Als we ons in regels laten verpakken, verliest Vrankrijk zijn aard als vrijgevochten, autonome vrijplaats en vertrutten we (…) Meneer wil dolgraag de geschiedenis in als de-eerste-burgemeester-die-Vrankrijk-betrad. Dat krijgt ie mooi niet op zijn record (…). Zag je hem kinderachtig stampvoeten?”, aldus de Vrankrijkers (Het Parool 25 november 2000). Feitelijk waren de gesprekken hiermee afgelopen.

 

Op 18 december 2000 verstreek de deadline die Patijn had gesteld. En wat gebeurde er? Niets, helemaal niets. Patijn vertrok en liet het probleem achter voor zijn opvolger en partijgenoot, Job Cohen.

 

Al snel bleek burgemeester Cohen een streepje voor te hebben op Patijn.

 

‘VRANKRIJK BIEDT DE OPLOSSING!’

Met deze kreet als kop stuurden de krakers op 16 januari een open brief aan Cohen. In de open brief zinspeelden ze erop dat de nieuwe burgemeester meer voor rede vatbaar was dan zijn voorganger. In Cohen hadden ze vertrouwen en daarom deden ze een voorstel om in een gesprek aan de orde te stellen dat het ‘Politiek Cultureel centrum Vrankrijk’ wilde voldoen aan de brandweereisen, de hygiëne-eisen en aan de milieueisen.

 

Ondanks het niet noemen van de gebruikelijke politiecontrole pakte Cohen de toegeworpen handschoen welwillend op en liet begin januari 2001 weten bereid te zijn om het gesprek met hen aan te gaan. Waarschijnlijk vreesde hij anders dat hij de mobiele eenheid op de krakers moest afsturen en daar had hij als nieuwe burgemeester helemaal geen zin in. Tevens wilde hij niet net als Patijn in zijn hemd komen te staan en daarom schakelde hij iemand anders in om als bemiddelaar het Vrankrijkse varkentje te wassen. Binnen zijn partij wist hij zich verzekerd van de juiste man: Eberhard van der Laan.

 

Voor Van der Laan was het onderhandelen met krakers gesneden koek. Daarmee was hij namelijk in de jaren tachtig zijn politieke carrière begonnen, als politiek adviseur van de Amsterdamse wethouder Jan Schaefer – de wethouder die begin jaren tachtig op grote schaal met gemeenschapsgeld kraakpanden opkocht om zo veldslagen met de ME te voorkomen. Voor de krakers een lucratieve oplossing omdat de meeste van hen in de panden mochten blijven wonen.

 

Van der Laan was ook voor de krakers acceptabel omdat hij in zijn jarenlange bestuursfunctie in de gemeenteraad van Amsterdam hen het leven niet echt zuur had gemaakt. Hij was, gezien zijn invloedrijke positie, in belangrijke mate medeverantwoordelijk voor het schandalige gedoogbeleid van de gemeenteraad ten aanzien van de kraakbolwerken in de stad, waaronder Vrankrijk. Van der Laan was dus voor beide partijen de juiste mediator om de onderhandelingen over het legaliseren van het krakercafé voort te zetten. Of liever gezegd: hij was méér dan acceptabel omdat er bij hem nog een addertje onder het gras zat. Maar daarover later meer.

 

MEDIATION OP SOCIALISTISCHE LEEST

Op onder meer 5, 12, 16, 21 februari 2001 zat een kleurrijk gezelschap van links tot extreemlinks bij elkaar. Eberhard van der Laan namens de gemeente Amsterdam en de krakers Stan, Walter en Ben namens café Vrankrijk. Van der Laan begon met de krakers gerust te stellen: “Het feit dat wij hier praten betekent natuurlijk dat de inzet erop gericht is geen bestuursdwang uit te oefenen. Ter geruststelling zal ik de burgermeester vragen om te bevestigen dat hangende dit overleg geen bestuursdwang zal worden toegepast. (…) Mijn persoonlijk uitgangspunt is nogal simpel: Vrankrijk heeft gelijk dat zij het karakter van vrijstaat niet in gevaar gebracht wil zien en de burgermeester heeft gelijk dat hij alle burgers van Amsterdam gelijk wil behandelen.” Maar volgens de krakers ging het hier niet om gelijke monniken gelijke kappen. Politiek was niet gelijk aan horeca. Dat bij hen bier werd geschonken nam niet weg dat Vrankrijk een politieke ontmoetingsruimte was en géén café.

 

Van der Laan deed de krakers een aantrekkelijk voorstel indien ze zich bereid verklaarden te voldoen aan de brandweer- en milieueisen: “Daar zullen ongetwijfeld substantiële investeringen aan vastzitten. Helpt het jullie als door Vrankrijk, bij voorbeeld als jongerencentrum, binnen de normale regelingen een subsidieaanvraag zou worden ingediend, teneinde de brandveiligheid zo spoedig mogelijk in orde te brengen”.

 

Tot zover ging alles van een leien dakje tot het onderwerp politiecontrole op de sluitingstijd ter sprake kwam. Dat werd door de krakers niet getolereerd. Ze gooiden verbijsterende argumenten op tafel. Volgens de krakers mochten Van der Laan en Cohen niet van hen verlangen dat de politie binnenkwam. Enkele citaten:

 

“Voor ons blijft de hoofdzaak dat de politie onze vijand is; de vijand wil je niet binnen hebben. (…) omdat het vervelende controles op kan leveren van oom agent, een autoriteit die niet welkom is in de bar (…) Men kan niet van ons verlangen dat we de politie binnenlaten (…) Wij zijn geen standaard horeca (…) Wij houden ons met politieke zaken bezig die de politie niets aangaan (…) wij hebben altijd problemen met de politie, omdat we radicale actie voeren. (…) Wij zijn een vrijplaats waar zich allerlei zaken afspelen waarbij we de politie niet kunnen gebruiken. (…) Veel van onze bezoekers voelen zich, vaak terecht, opgejaagd en gecriminaliseerd door politie en justitie. (…) Wij zijn een internationaal ontmoetingscentrum waar soms busladingen vol buitenlanders langs komen (…) Dienstweigeraars, daklozen, activisten en vele anderen. (…) bij ons zijn per definitie zaken en personen die de politie niet mag zien. Denk maar aan lijsten van nog te kraken panden (…) Als bij ons een politie-uniform binnenwandelt dan breekt er bovendien sowieso heibel uit (…) (…) Je vindt het toch niet gek dat wij met onze geschiedenis de politie niet vertrouwen. (…).”

 

In een poging hen over de streep te halen stelde Van der Laan voor om een met naam en toenaam genoemde politiefunctionaris aan te wijzen om specifiek de controle in Vrankrijk te verrichten. Die controle kon plaatsvinden door vertrouwenspersonen, twee vaste mensen die niet in uniform maar in burger zouden verschijnen. Met hen kon voorafgaand worden gesproken om kennis te maken, en afspraken te maken over de precieze controledoelen en de manier waarop de controle plaats zou vinden. Volgens Van der Laan zou die controle, als alles in orde was, slechts tweemaal per jaar plaatsvinden. Helaas, de krakers hielden voet bij stuk: géén politie. Daarom wilden ze van de gemeente een speciale vergunning, een gedoogplan dat er toe zou leiden dat ze aan alle inhoudelijke eisen voldeden, maar dan zonder inschakeling van de politie.

 

De door de gemeente gewenste beheerder was voor hen ook een heikel punt. Van der Laan probeerde deze gevoeligheid af te zwakken door te stellen dat een beheerder noodzakelijk was voor de lokale autoriteiten als ‘natuurlijk aanspreekpunt’. De beheerder diende te fungeren bij calamiteiten zoals brand of een misdaad binnen het café.

 

Maar voor de radicalen was een beheerder niet gewenst omdat ze als collectief individueel onbekend waren en in de praktijk dus niemand aansprakelijk was.

Het aanstellen van een beheerder zou een ondermijning van hun collectiviteit zijn en droeg te veel risico’s met zich mee. Het zou bijvoorbeeld inhouden dat in het geval een demonstratie uit de hand zou lopen en men zich demonstranten vervolgens zouden terugtrekken in Vrankrijk, de beheerder de klos zou zijn. Strafrechtelijke vervolging en daarmee samenhangende aansprakelijkheid van de beheerder mocht niet afhankelijk zijn van de handelswijze van Vrankrijk. Ook zou een beheerder met naam en toenaam bekend worden en dat betekende bijvoorbeeld “dat de Turkse geheime dienst achter de beheerder kan aangaan op zoek naar Koerdische vluchtelingen”, aldus de krakers. Daarnaast werkten ze met vrijwilligers en maakten geen winst. Wat ze overhielden werd geschonken aan acties en organisaties. Een deel daarvan viel buiten de wet en was daarom niet aftrekbaar. Ook dat zou problemen kunnen scheppen voor de beheerder.

 

Maar ook hier deed Van der Laan water bij de wijn: “In jullie voorbeeld van een gewelddadige demonstratie die zich in het café terugtrekt, zie ik echt niet noodzakelijk een verband met de verantwoordelijkheid van de beheerder (…). We zullen deze beheerder niet lastig vallen met vragen indien een demonstratie uit de hand loopt en men Vrankrijk benut als plek om zich veilig terug te trekken”, aldus Van der Laan. Daarna gaf hij het advies dat wellicht de juridische aansprakelijkheid van de beheerder via een stichting kon worden beperkt.

 

Het mocht niet baten. Begin maart 2001 liet burgemeester Cohen weten dat tot zijn grote spijt de onderhandelingen tussen Vrankrijk en de Gemeente Amsterdam op niets waren uitgelopen. De krakers hielden hun poot stijf – ze weigerden de verplichte politiecontrole en aanwezigheid van een beheerder te accepteren.

 

HET VAN DER LAANSE LUIKJE

De spanning liep op. De krakers moesten rekening houden met een politie-inval terwijl de gemeente op haar beurt kon rekenen op gewelddadige rellen. Dit laatste hadden de krakers met veel geroeptoeter aangekondigd. Daarna volgende enkele weken van intensief overleg achter de gemeentelijke schermen. Van der Laan gaf de moed niet op en werkte aan een nieuw voorstel.

 

Half mei 2001 was er een overeenkomst. Het krakersbolwerk Vrankrijk had de bureaucratische slag met de gemeente om een barvergunning gewonnen. De hardste eis van de krakers werd ingewilligd: het krakersbolwerk bleef na achttien jaar nog steeds verboden terrein voor de politie. Van der Laan had tenslotte een oplossing van ‘onschatbare waarde’ gevonden: in de buitenmuur van Vrankrijk kwam een luikje waardoor de politie kon vaststellen of het café zich hield aan de voorgeschreven sluitingstijden. Op zijn beurt volgde Vrankrijk het advies van Van der Laan op en ging over tot de oprichting van een stichting die café Vrankrijk zou gaan beheren.

 

Het toenmalige VVD-raadslid Ferry Houterman was woest over het resultaat van Van der Laans onderhandelingen: “Elke lokaliteit in deze stad moet voor alle controleorganen toegankelijk zijn. Lokale no-go-area’s voor de politie zijn mij drie bruggen te ver. We moeten altijd kunnen nagaan of zich ergens illegale personen bevinden of illegale activiteiten afspelen.” Tevens wilde hij weten met wie de overeenkomst tussen gemeente en krakers was gemaakt. “Onder deze overeenkomst staan de handtekeningen van Cohen en van vier krakers die slechts hun voornamen noemen. Het lijkt me onjuist als gemeente contracten te tekenen met partners van wie we naam en toenaam niet kennen.”

 

Het gesloten akkoord was slechts ondertekend met de voornamen van Walter, Ben, Shirley en Arwen. Merkwaardig genoeg stond Stan – die bij de meeste besprekingen met Van der Laan aanwezig was geweest – er niet meer bij. Misschien is dit ook niet zo merkwaardig wanneer we even verder kijken dan onze neus lang is, en erachter komen dat Stan, wiens achternaam Baggen was, waarschijnlijk een van de addertjes onder Van der Laans gras was.

Stan Baggen was namelijk tijdens de onderhandelingen niet alleen de vertegenwoordiger van Vrankrijk, maar liep hij in die periode als student stage bij het advocatenkantoor van de mediator Van der Laan. Na de onderhandelingen kwam Baggen op de loonlijst van het advocatenkantoor. En dat Van der Laan het niet zo nauw nam met de achtergronden van medewerkers blijkt wanneer we zien dat Baggen tevens behoorde tot groepen die solidariteit toonden met terreurorganisaties. Groepen die dankzij de activiteiten van café Vrankrijk financiële ondersteuning kregen. Zeven maanden later zouden die activiteiten voor een aardige verassing voor Vrankrijk zorgen.

 

TERRORISTENHOL

Het was 17 januari 2002, om half vier in de ochtend, toen de politie met groot machtsvertoon Vrankrijk binnenviel zonder gebruik te maken van het Van der Laanse-luikje. De actie volgde na de arrestatie van Juan Ramon Rodriguez Fernandez, een Spaanse terrorist, bij een supermarkt in Amsterdam. De man logeerde in Vrankrijk en had banden met een cel van de terreurgroep ETA in Barcelona. Tevens was hij in diezelfde stad actief in de krakersbeweging Okupa. De krakers gaven hem de naam Juanra. 

Juanra werd al sinds augustus 2001 door de Spaanse autoriteiten gezocht wegens ondersteuning van het Gorbea Commando van de ETA. Dit commando stond onder leiding van Juanra’s vriend Carcia Jodrá.

 

In december 2002 werd Jodra in Spanje tot tweemaal toe veroordeeld, eenmaal tot 54 jaar en eenmaal tot 55 jaar gevangenisstraf wegens samenwerking met terreurgroepen, moord en terroristische aanslagen. Vreemd genoeg heerst hierover nog altijd doodse stilte op de vele websites van de Nederlandse activisten.

 

In een verklaring had Jodra Juanra genoemd als een belangrijke informant voor potentiële ETA-doelwitten. In het appartement van Jodra’s terreurgroep had de politie documenten gevonden met lijsten van doelwitten van de ETA. Op de documenten bevonden zich verschillende vingerafdrukken waaronder vijf van Juanra. De Spaanse politie was hem op het spoor gekomen door een aantal Barcelonezen te volgen die begin januari naar collega’s in Amsterdam gingen. Direct nadat Juanra was gelokaliseerd werd verzocht om zijn aanhouding.

Na twintig maanden van juridische gevechten werd Juanra in oktober 2003 uitgeleverd aan Spanje. Daar bekende hij zijn betrokkenheid. De geëiste straf bedroeg 9 jaar, maar uiteindelijk werd hij op 10 mei 2004 veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf.

 

Aan de uitlevering aan Spanje waren ellenlange procedures vooraf gegaan, mede omdat Juanra kon rekenen op een brede ondersteuning vanuit het Vrankrijk-netwerk. Dat keerde zich tegen de rechterlijke macht en de minister van Justitie. Vooral het door het Vrankrijk-café ondersteunde Baskenland Informatie Centrum – waar Stan Baggen een prominent lid van was – voerde actie voor Juanra.

 

Juanra werd verdedigd door het advocatenkantoor van Britta Böhler, de huidige senator voor GroenLinks in de Eerste Kamer en haar man Victor Koppe. Voor en na de arrestatie van Juanra werden nog twee ETA-leden in Nederland opgepakt, Murillo Zubiri en Alexander Acarrequi Casas, en ook hier kwamen BIC en Koppe in het geweer.

Tot slot is het nog vermeldingwaardig dat Vrankrijk en BIC nauwe banden onderhouden met de Baskische jongerenorganisatie Segi – een groepering die voorkomt op de zwarte lijst van terreurorganisaties van de Europese Unie vanwege banden met de ETA.

 

Laten we even teruggaan naar één van de verplichtingen die Vrankrijk moest nakomen volgens de overeenkomst met de gemeente Amsterdam, nl. de oprichting van een stichting die het café zou gaan beheren. De locatie van Vrankrijk was weliswaar niet in het bestemmingsplan Spuistraat opgenomen als horecabestemming, maar Vrankrijk kon zich beroepen op het overgangsrecht omdat haar activiteiten al van ver voor het huidige bestemmingsplan dateerden. Dat deze activiteiten al jaren illegaal waren mocht de ‘goede zaak’ niet deren. Het stadsdeel Amsterdam-Centrum verleende zowel een drank- en horecavergunning als een exploitatievergunning.

 

Op 26 juli 2001 werd de stichting opgericht met de sprekende titel BarSt (adres Spuistraat 216, 1012VT te Amsterdam). BarSt werd de beheerder van het ‘sociaal politiek centrum’ Vrankrijk. In de Kamer van Koophandel werd de stichting als volgt ingeschreven: “Het op een kostendekkende basis beheren van een ruimte voor sociale, culturele en informatieve activiteiten met een politiek karakter.”

Volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel werden als bestuurders ingeschreven: Emmanuel Wilhelmina Leonarda van Meel (voorzitter), Suus Hopman (voorzitter), Gert-Jan Bakker (secretaris) en Guus Klijn (penningmeester).

 

Ook hier doet zich een wetenswaardigheid voor. Een van de bestuurders, Suus Hopman, werkt momenteel bij het kantoor Böhler Franken Koppe Wijngaarden advocaten – het kantoor dat juridische bijstand verleende aan dat de ETA-leden die in Nederland gearresteerd werden, waarvan er een in Vrankrijk.

   

TOT SLOT

In mei 2008 deden de gemeenteraadsleden van de VVD alsnog een poging om de afspraken met Vrankrijk van tafel te vegen na misdadig geweld door de kraakbeweging bij een aantal ontruimingen in de stad. “De politie mag in elk legaal café gewoon binnenlopen, maar in dit bolwerk van de kraakbeweging, die de stad, de politie en de burgemeester teistert met geweld en intimidatie, komt de politie niet binnen. Dat is absurd,” aldus VVD’er Bas van ’t Wout.

 

Het mocht niet baten, Vrankrijk kon ongestoord doorgaan als een van de grootste krakersbolwerken in Nederland. Ondertussen bleek dat het probleemoplossende luikje van Van der Laan gesmeerd moest worden, want het werd amper door de politie gebruikt. Zelfs bij de meest recente gewelddadigheden in het ‘gelegaliseerde’ café bleef het luikje gesloten.

 

Het had zo’n leuke bijeenkomst moeten worden op 13 september 2008. Helaas, de ‘rust’ werd verstoord. Twee bezoekers werden op misdadige wijze met stukken steigerpijp door de ‘knokploeg’ van café-Vrankrijk in elkaar geslagen. Na de vechtpartij dumpten ze hun slachtoffers op straat, een met een hersenkneuzing en de ander met een schedelbreuk, en trokken zij de deur schielijk achter zich dicht.

 

Volgens een van de vele berichten op krakerwebsites was een slachtoffer “per ongeluk” te hard op zijn achterhoofd gevallen en kreeg de ander “per ongeluk” een te harde vuist tegen zijn oog. “Zo kan iemand bijvoorbeeld makkelijk over een gladde ondergrond uitglijden, tegen een knuppel of elleboog aanvallen en vervolgens drie keer met verschillende kanten van zijn hoofd heel hard op de stoep stuiteren”, aldus een van lieverdjes op cynische wijze. En de gebruikte knuppels? Die behoren tot de standaarduitrusting van café Vrankrijk.

 

De ex-kraakster en journaliste Natasha Gerson, die op een aantal websites is terug te vinden onder bijvoorbeeld het alias campion, gaf hiervoor de volgende verklaring: “Wie de noodzaak van enig afweermateriaal bij de deur, niet kan begrijpen en ter discussie zou willen stellen, is gewoon naïef (…) Als er een troep fasco’s voor de deur staat, en je zit binnen, ben je er blij mee.” Op de avond in kwestie ging zij volgens een van de berichten op Indymedia interessant doen over haar inside knowledge over Vrankrijk en zette zij een van de slachtoffers weg als een niet terzake doende oude junk.”

Een ding kan niemand ontkennen: De krakers van Vrankrijk hebben karakter. Zij blijven bij hun standpunten en dat kan je – op een enkeling na – van politici niet zeggen. Van der Laan staat als minister voor een grote uitdaging. De bejubelde mediator moet orde en rust gaan scheppen in veertig probleemwijken. Zal zijn luikje ook hier gaan ‘functioneren’?