SS- Staatsstemmingmakerij.

november 18, 2008

 

Betreft rapportage Politieacademie Apeldoorn over geweld tegen homo’s en uitleg van de Staatsomroep NOS over de daders.

 

Ten eerste kan men zich afvragen welke waarde je moet hechten aan een rapportage van de politieacademie Apeldoorn. Een academie waar ‘terroristen’ worden aangesteld als lector.

 

Ten tweede is het ook aardig om eens even stil te staan bij de ‘objectieve’ berichtgeving over het geweld door onze Staatsomroep NOS.

 

In de aanhef van het bericht spreekt men van: ‘Geweld tegen homo’s lijkt vooral het werk van autochtone Nederlanders en niet van allochtonen, zoals vaak gedacht wordt.’

Maar de toon die hier gezet wordt klopt niet want opvolgend bericht de NOS:  ‘In 14% van de gevallen was de dader allochtoon. In 86% was de dader autochtoon of was de afkomst onbekend.’

 

In de laatste zin zit het venijn omdat men in die 86 % niet aangeeft hoeveel daders autochtoon of onbekend zijn.

 

Intussen blijkt ook dat de kwaliteitskrant NRC Handelsblad aan deze informatievervuiling deelneemt.

 

 

 

Advertenties

Tijdelijke geheugenverlies door selectieve luchtpijpvernauwing.

november 17, 2008

 

Maandagochtend 17 november 2008.

 

 

Goedemorgen, effe wakker worden, ontbijtje, een lekker kopje niet Max Havelaarse koffie, even via de ochtendbladen op je gemak het dagelijkse nieuws tot je nemen en wat gebeurd er? …. proest …, het kostbare koffievocht spettert over de ontbijttafel. Oorzaak: op de voorpagina van wakker Nederland staat met grote kop: ‘Duurzame inkoop rijk is regelbrij’.

 

Maar de kop van het artikel is niet de oorzaak van mijn proestbui wel het navolgende citaat ‘Volgens regeringspartij CDA maken de nieuwe, gekke regeltjes ondernemers horendol wanneer zij tijdschriften, printers of koffie aan het rijk en andere overheden willen leveren’ en de opmerking van het CDA-Kamerlid Liesbeth Spies ‘Als je de verhalen hoort, krijg je het er benauwd van. (…) Als we elkaar op deze manier gek zitten te maken, wordt het tijd voor ons boerenverstand,’ aldus Spies. Ze gaat de gang van zaken deze week aankaarten tijdens de bespreking in de Tweede Kamer de VROM-begroting.

 

Die mevrouw Spies, of ze is ‘knettergek’ of zij heeft last van een selectieve Haagse luchtpijpvernauwing die het politieke geheugen van haar – en haar partij – op gepaste tijden ernstig dwarszit.

 

Spies en haar partij doen namelijk al jaren een knieval voor de roodgroene collega’s in de Kamer en hebben mede aan de wieg gestaan van alle groene regels en verplichtingen rond het zogenaamde ‘duurzaam inkopen’ waar ondernemers aan moeten voldoen wanneer zij hun producten waaronder tijdschriften, printers, voedsel en koffie aan het rijk en andere overheden willen leveren.

 

Spies doet er goed aan om voor het debat over de VROM-begroting eens ten rade te gaan bij haar fractievoorzitter Pieter van Geel. Dit mannetje is namelijk een van promotors van de idiote brij aan duurzame regelgeving.

 

In mijn boek Sinistra. Politieke maffiosi op Haags, provinciaal en gemeentelijk niveau 2006 uitgeverij Aspekt, heb ik deze lastenverzwarende en volksverlakkende activiteiten uitgebreid omschreven.

 

Voor de liefhebber die er meer over wilt weten/lezen volgt onderstaand de tekst uit één van de hoofdstukken over deze materie onder de kop:

 

BIOLOGISCHE DWANGMATIGHEDEN (pagina 119-131)

 

In 2001 werd door onder andere de ministeries VROM, en EZ en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een apart programma ontwikkeld voor provincies, gemeenten en waterschappen met de klinkende naam Preventie naar Duurzaam Ondernemen (PreDO). Het programma liep van 2001 tot en met 2005 en moest de milieudruk verminderen die ontstond door bedrijfsmatige activiteiten van overheden. In opvolging van PreDO verscheen het rapport Duurzame Bedrijfsvoering Overheid van 25 januari 2005.

Daarin gaf men als doel aan dat in 2010 minstens vijftig procent van alle inkopen en aanbestedingen door de overheid duurzaam moest zijn. Staatssecretaris Pieter van Geel van VROM noemde biologische catering als een van de doelen voor duurzaam inkopen. Een doel dat de milieubeweging alleen maar in hoefde te koppen. De subsidieaanvragen rolden binnen.

 

 

In 2001 ging het landelijke project ‘biologische catering in bedrijfsrestaurants’ van start om de biologische landbouw in Nederland een steuntje in de rug te geven. Hierin werkten de milieufederaties en Stichting Natuur en Milieu samen om bedrijven en organisaties per provincie zover te krijgen biologische producten in te voeren in hun bedrijfsrestaurants. De milieufederaties maakten hiertoe afspraken met provincies, gemeenten, energiebedrijven, waterleidingbedrijven, waterschappen en onderwijsinstellingen en gingen op gesprek bij de opdrachtgever van de cateraar: de facilitair manager.

 

 

De cateraar moest in een rap tempo biologische scharrelproducten en Fair Trade producten in zijn assortiment opnemen. Bijvoorbeeld Fair Trade koffie en alleen nog maar biologische melk in de kantine. Tevens moesten leveranciers de garantie geven dat er geen genetisch gemanipuleerde gewassen werden gebruikt. Deed men dit niet liep men het risico de opdracht bij overheden te verliezen.

 

 

Het duurde niet lang of men boekte resultaat. Tijdens bijeenkomsten werden talloze intentieverklaringen of convenanten afgesloten. Iedereen die de intentieverklaring van bijvoorbeeld de milieufederaties en de stichting Natuur en Milieu ondertekende beloofde zich in te zetten voor het bereiken van vijf procent biologische catering in 2004. Met de ondertekening verplichtte men zich om maatschappelijk verantwoord te gaan ondernemen. En dat wilde iedereen heel graag uitstralen. Biologisch móést. Je werkte bij een (semi)overheidsinstellingen en die bepaalde wat nodig was. Of de werknemers daar nou wel of geen behoefte aan hadden speelde geen rol.

 

 

Een aardig voorbeeld was de reactie van het hoofd catering van de Universiteit Twente (UT), Bart Dirne, die desgevraagd liet weten: ‘UT-Catering heeft die intentieverklaring ondertekend. (…) Zo’n zes jaar geleden stond in de Mensa biologisch vlees op het menu. De klanten waren in het begin enthousiast, 20 procent tot 25 procent bestelde een maaltijd met biologisch vlees. Na een half jaar was dat percentage gezakt tot 2 a 3 procent’. Bewust biologische producten op het menu zetten was één van de middelen waarmee ze druk uitoefenden op de leveranciers. Die moesten biologische producten in het assortiment opnemen: ‘Onze plaatselijke groenteboer heeft dat bijvoorbeeld nog niet en zal naar een oplossing moeten zoeken. Is die groenteboer niet in staat om aan ons biologische groenten te leveren dan kan het dus zover komen dat we de samenwerking beëindigen. Een drastische maatregel, die we hopen te voorkomen natuurlijk.’

 

 

Of deze aanpak drastisch is of pure chantage mag de lezer zelf bepalen, maar deze aanpak hoort bij het maatschappelijk verantwoord ondernemen. ‘We willen als bedrijf wat uitstralen, maar ook een stukje druk uitoefenen. Ons doel blijft om in 2004 5 procent biologische catering te voeren en in 2010 moet dat 10 procent zijn’, aldus het hoofd

catering.

 

 

Op 2 april 2002 gaf Minister Brinkhorst de aftrap. Die dag tekenden ruim 30 partijen, waaronder overheden en enkele cateraars de Intentieverklaring Biologische Catering. Doelstelling was vijf procent biologische catering in 2004.

 

 

Op 7 november dat jaar ondertekenden nog eens ruim 40 partijen. Op een afsluitende bijeenkomst van 6 november 2003, sloten nog eens ruim 20 partijen zich bij de doelstellingen aan.

 

 

Eind 2003 werd het project afgesloten met een feestelijke bijeenkomst. De directeur generaal van LNV, mevrouw Renee Bergkamp, riep de aanwezige partijen op er de schouders onder te (blijven!) zetten. Het bedrijfsrestaurant van het ministerie van LNV gaf het voorbeeld en streefde naar 100 procent biologische catering in 2005. Maar het behaalde resultaat bij overheden was nog niet bevredigend.

 

 

Op 19 mei 2005 ondertekenden verschillende overheden een nieuwe doelstelling voor 2007. De gemeente Nijmegen: 5 procent, het ministerie van Financiën: 5 procent, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Welzijn: 10 procent, het ministerie van Buitenlandse Zaken: 15 procent, het ministerie van Economische Zaken: 15 procent, het ministerie van Verkeer en Waterstaat:15 procent, het ministerie van VROM: 20 procent, het provinciehuis van Brabant: 50 procent en het provinciehuis van Overijssel: 50 procent. Daarnaast tekende de alternatieve banken als Triodos Bank voor de volle 100 procent en de SNS REAAL Groep zou van 10 naar 20 procent te gaan.

 

 

Zoals we reeds hebben kunnen lezen werden biologisch producten niet alleen via gemeenten, provincies en rijksoverheid ingevoerd maar ook via het onderwijs. Van oudsher was het DPN gewend om ook de jongeren te bewerken voor hun doelstellingen. Hiervoor waren scholen bij uitstek de pleisterplaats voor hun activiteiten. Ook hier hadden ze vaste grond onder hun voeten. Binnen de instellingen voor lager, hoger en wetenschappelijk onderwijs behoorden veel onderwijzers en bestuurleden tot hun politieke gedachtegoed.

 

 

Als centrale ontmoetingsplaats – waar scholieren, studenten en medewerkers binnen het onderwijs bij elkaar kwamen – was de schoolkantine bij uitstek geschikt om hun biologische plannen uit te voeren. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) stond aan hun kant en zorgde ervoor dat biologische producten in de schoolkantine werd ingevoerd. En ook hier werden de toeleveranciers bewerkt. Daarvoor lanceerde men onder andere het project Duurzame Catering HBO.

 

 

Vanaf begin van 2004 werden verschillende HBO-instellingen en toeleveranciers benaderd. De Hoge School Zuyd, de Hoge School Leiden en de Haagse Hoge School, Fruitmasters, Friesche Vlag, Riedel Drinks, Sodexho, Stichting AKK en de kennisinstellingen LEI. Daarnaast werden met dit project studenten bewerkt om vervolgens met hun wensen de inkoopafdeling en het bedrijfsleven te dwingen biologische producten te leveren. Tevens moest het biologisch lunchen in de schoolkantine het gedrag van jongeren en studenten zodanig beïnvloeden dat het thuis aan tafel zou worden voortgezet. En bijna vanzelfsprekend werden op scholen projecten gestart met biologische schoolmelk en aandacht besteed aan het contact tussen scholen en biologische boerderijen.

 

 

Overkoepelend werd gestart met een biologische promotiecampagne, vooral gericht op het jonge publiek. Biologische producten moesten ‘hip’ worden. De campagne moest de biologische producten het imago geven van genot, gemak en ‘feel good’.

 

 

Het mocht niet baten, ondanks de vele congressen en convenanten en het bewerken van toeleveranciers, overheden, kerken, vakbeweging, onderwijs en jongeren bleef het gewenste resultaat achterwege. Want ook al werkten alle voornoemde partijen mee en stortte de overheid honderden miljoenen euro’s in het biologische ideaal, uiteindelijk is het in een democratie toch de consument die – met zijn aankoopgedrag – bepaalt hoe snel de biologische landbouw zich gaat ontwikkelen.

 

 

De consument bepaalt en betaalt. De biologische ontwikkelingen worden niet alleen bepaald via de boodschappentas van de consument maar vooral gecreëerd door de belastinggelden uit de beurs van diezelfde consument. De consument betaalt namelijk volledig de halsstarrige experimenteerdrift van overheid voor de biologische landbouw.

 

 

Ondanks de miljoenen euro’s gemeenschapsgeld die de overheid er in steekt en de talloze activiteiten van de milieubeweging wil het met het marktaandeel van biologische voedselproducten maar niet vlotten. In 2003 was 1,6 procent van de totale omzet van levensmiddelen biologisch, in 2005 was dat 2 procent. In hoeverre deze procenten bestaan uit de bijdrage via aankoop door de biokantines bij overheden, vakbeweging, kerken en actiegroepen is onbekend. Maar één ding is zeker, men heeft nog vele miljoenen gemeenschapsgeld nodig om het idealistisch gestelde doel van vijf procent in 2007 te halen.

 

 

Een groot obstakel voor de groei van de biologische markt is het grote prijsverschil tussen biologische en gangbare producten in de schappen. In 2002 was dit gemiddeld ruim 50 procent.39 Dit is voor het DPN een doorn in oog. De meerprijs in de kantines was voor hen geen probleem, dat werd immers in meerderheid met gemeenschapsgeld gefinancierd. Het probleem zat bijvoorbeeld bij de biologische consument uit hun eigen achterban. Die hadden ze met de nodige tam-tam binnengehaald en dreigden door het grote prijsverschil af te haken. Dat mocht niet gebeuren. Dat zou leiden tot een enorm gezichtsverlies. Jarenlang hadden ze hun achterban bewerkt om zoveel mogelijk op de biologische tour te gaan. Daarvoor hadden ze keer op keer allerhande activiteiten georganiseerd.

 

 

Hoog tijd voor nieuwe acties. De Stichting Natuur en Milieu was de grote trekker. Bijvoorbeeld in een tweetal campagnes in april 2004 en maart 2005. Toen gingen ze gezamenlijk van start met de campagne ‘Nederland gaat biologisch’. De deelnemende organisaties hadden hiervoor een intentieverklaring ondertekend. De deelnemers riepen hun leden op om vaker biologische producten te kopen.

 

DEELNEMERS

Vereniging Natuurmonumenten, Wakker Dier, Vogelbescherming Nederland, de 12 provinciale milieufederaties, IVN Nederland, Vereniging Milieudefensie, Dierenbescherming, Waddenvereniging, Nederlandse Vegetariersbond, Centrum Vrouw en Milieu (VeM, Greenpeace, VEWIN, LHUMP (landelijk Hogeschool/Universitair Milieuplatform, FNV Bondgenoten, Nationale Jeugdraad, Kerken in actie, Protestantse Kerk in Nederland, Varkens in Nood, Business and Professional Women the Netherlands, consumentenvereniging Goede Waar & Co, ECEAT, Biologica en de Stichting Natuur en Milieu.

De actie werd actief ondersteund door De Natuurwinkel Organisatie, de Taskforce Marktontwikkeling Biologische Landbouw, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), De LANDSCHAPPEN, De Kleine Aarde en Avalon.40

 

De organisaties die aan de campagne meededen claimden gezamenlijk zes miljoen leden te hebben. Op zich een zeer ‘creatieve’ telling omdat veel van hun leden lid zijn van meerdere organisaties die aan de campagne meededen.

Dat geld ook voor de conclusies van Joost Guijt, de coördinator regelgeving bij het platform Biologica. Hij was een belangrijke coördinator binnen de biologische beweging. Volgens hem bereiken de maatschappelijke organisaties per kwartaal via hun bladen drie tot vier miljoen huishoudens.

 

Gezien de invloed op het ministerie van LNV, de politiek en de milieubeweging is het van belang om Biologica iets nader te belichten.

 

BIOLOGICA

Biologica is een koepelorganisatie voor biologische land- en tuinbouw en voeding waarin biologische boeren, handelaren, verwerkers en detaillisten werken aan het vergroten van de bekendheid van het biologische product en de groei van hun markt.

Biologica vervult een sleutelfunctie in de samenwerking tussen overheid en belangengroepen in de biologische sector. Op verzoek van het ministerie van LNV werd in 2000 een adviescommissie Onderzoek Biologische Landbouw opgericht bij Biologica.

Deze commissie adviseert opdrachtgevers van onderzoek over de behoefte aan kennis voor de biologische sector en over prioriteiten bij onderzoek.

Biologica gelooft het meest in de kracht van de maatschappelijke organisaties en consumentenvoorlichting. In dit kader werkt Biologica nauw samen met onder andere: de Dierenbescherming, Stichting Natuur en Milieu, Greenpeace, de provinciale milieufederaties, Milieudefensie, Wakker Dier en Natuurmonumenten.

 

 

De eerste directeur van Biologica (januari 1993) was de biologische boer, bedenker van Milieukeur en voormalig Nicaragua-ganger Jan Wieringa. Momenteel werkt Wieringa naast zijn biologische boerenbedrijf nog een aantal dagen per week bij Biologica.

In 2002 kreeg hij van de radicale stichting Wakker Dier een oorkonde vanwege zijn diervriendelijke bedrijf. De opvolger van Wieringa bij Biologica is Bert Ruitenbeek.

 

 

Bij Platform Biologica zijn aangesloten: de Federatie Biologische Boeren (FBB), het samenwerkingsverband tussen de Nederlandse Vereniging voor Ekologische Landbouw (NVEL) en de Vereniging van Biologisch-Dynamische Boeren (VBDB), de Vereniging van Biologische Productie- en Handelsbedrijven (VBP), de Vaksectie Winkeliers in Natuurvoeding en Reform (VWNR), de koepel van supermarkten (CBL) en de Vereniging voor Biologisch-Dynamische Landbouw en Voeding.

 

 

Eind 2000 werd binnen de Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) gestart met het Innovatiecentrum voor Biologische Landbouw. Jac Meijs werd de verantwoordelijke coördinator, Sjors Willems werd communicatie-adviseur en Eddy Teenstra projectleider van de kennisdatabank. Al snel ging WUR samenwerken met Biologica. Meijs vervulde een combinatiefunctie en werkte tevens voor Biologica. En ook Willems combineerde zijn functie met werkzaamheden voor Biologica. Hij was vanaf de oprichting in 1993 bij Biologica actief als coördinator landbouw.41 In 2004 werd Meijs directeur beleid & management bij Biologica. Greet Blom-Zandstra werd de nieuwe projectleider van het IBL. Meijs bleef nog wel programmaleider van het Koepelprogramma biologische landbouw van WUR.

 

 

Biologica is de organisator van de Landelijke Open Dagen bij de biologische boer en uitgever van o.a. het receptenblad Smaakmakend, de EKO-gids en de EKO-Monitor en initiatiefnemer van de acties Adopteer een Kip en Adopteer een Appelboom. Tijdens de achtste georganiseerde Open Dagen van Biologica brachten zo’n 150 belangstellenden (op 26 juni) een bezoek aan het biologisch boerenbedrijf van het PvdA-Tweede Kamerlid Harm Evert Waalkens in Finsterwolde. Het is dus niet zo verwonderlijk dat ook binnen Biologica de DPN-vlag driftig wappert.

 

 

Van 1 oktober 1993 tot 1 april 2004 was de voorzitter het voormalige GroenLinkse Kamerlid Ria Beckers, zij was tevens voorzitter van de Stichting Natuur en Milieu van 1 januari 1994 tot 1 september 2004. Na haar vertrek bij Biologica werd de scepter overgenomen door het voormalige GroenLinkse Tweede Kamerlid, Arie van den Brand.

 

 

En ook bij Biologica heeft men geen last van bezuinigen. Het ministerie van LNV is hun grootste subsidiegever. Het inkomen steeg met sprongen waarbij opvalt dat haar publieksberichtgeving over 2005 in geen enkele vergelijking staat met de voorgaande jaren.

 

Biologica en haar publieksjaarverslag:

2005 Jaarverslag pag. 7 inkomen € 2.82 miljoen

2004 Jaarverslag pag. 36 inkomen € 2.65 miljoen

2003 Jaarverslag pag. 31 inkomen € 1.7 miljoen

2002 Jaarverslag pag, 45 inkomen € 1.8 miljoen

2001 .. .. inkomen € 1.5 miljoen

 

 

Terug naar de biologische consument, die dreigde af te haken. Dat moest voorkomen worden. Volgens Biologica moest de consument die – ondanks het prijsverschil – er voor koos om biologisch te kopen beloont worden. ‘De consument die ondanks het prijsverschil er voor kiest om biologisch te kopen toont maatschappelijk verantwoord consumentgedrag’, aldus Guijt in een advies aan het ministerie van LNV. De overheid moest gaan onderzoeken hoe die beloning verwezenlijkt kon worden.

 

 

De milieubeweging had haar adviezen al klaar. Ze wilde een premiestelsel om het prijsverschil tussen de biologische en gangbare producten te verkleinen. Er moest een premie komen voor biologische producten om de meerprijs met zo’n twintig procent te verlagen. Zelf hadden ze berekend dat dat de staat zo’n vijftig miljoen euro per jaar ging kosten. Bijvoorbeeld een EKO-aftrekpost waarbij biologische aankopen (deels) fiscaal aftrekbaar werden gemaakt. Ook werd er gedacht over een kortingsactie met biologische producten in 2006.

 

 

Zo wilde de PvdA het BTW-tarief op biologische producten omlaag brengen en deden GroenLinks en de SP voorstellen om de BTW op biologische producten maar geheel af te schaffen. Dan werden de biologische producten namelijk zes procent goedkoper. In het streven om het prijsverschil tussen biologisch en gangbaar te verkleinen ging GroenLinks zelfs een stapje verder. Tijdens het GroenLinkse landbouwcongres Links zaaien, Groen oogsten op 15 mei 2004 in Zeist, kwam Marijke Vos, toenmalig Tweede Kamerlid voor GroenLinks en een voormalige voorzitter van Milieudefensie, met de volgende opmerking: de ‘verantwoorde consument’ werd gestraft in de portemonnee. ‘De kiloknaller en de gifpieper zijn gewoonweg veel goedkoper dan een scharrelkip en een bio-bintje. Door de prijzen bij elkaar te brengen (vlees en zuivel) of zelfs gelijk te trekken (groente en fruit) wil GroenLinks de EKO-markt een enorme impuls geven’, aldus Vos.

 

 

Daarna lanceerde ze nog een ‘progressief’ idee. De consument moest op biologisch-dwangmatige wijze over de streep worden getrokken. Als de onverantwoorde consument het niet via de kassa wilde betalen moest het maar (wederom!) gebeuren via zijn of haar belastinggeld. Ze wilde dat de overheid een ‘EKO-tax’ op vlees ging invoeren. Door vlees van het lage BTW-tarief van 6 procent naar 19 procent te tillen, zou de staat jaarlijks zo’n 600 miljoen euro aan extra inkomsten kunnen pakken. Een geldpot voor subsidies om biologische producten goedkoper maken.

 

 

Vermeldenswaardig is dat één van de sprekers tijdens het Groen-Linkse landbouwcongres, Arie van den Brand was. Hij is de huidige voorzitter van Biologica.

Brand’s collega bij Biologica, Bert van Ruitenbeek, maakte zich al een aantal jaren sterk voor verlaging van de BTW om het biologische product goedkoper te maken. ‘De gangbare landbouw prijst zich dan uit de markt. Dan zijn we aangeland bij de kern van de zaak’, aldus Ruitenbeek in een debat met de voormalige minister van landbouw, Brinkhorst.

 

 

Terug naar de consument. Die moest over de streep worden gehaald.

 

 

In aansluiting op de campagne Nederland gaat biologisch van april 2004 stuurde Biologica een advies aan LNV onder de noemer De verduurzaming van de boodschappentas. Het advies was bedoeld om de Beleidsnota Biologische Landbouw 2005-2007 van LNV aan te passen aan hun wensen.

 

 

Aan de overheid werd gevraagd met name bestaande, effectieve maatregelen voort te zetten en uit te bouwen. Behalve dat er adviezen werden gegeven, werd er aangeven hoeveel miljoen euro er volgens hen nodig was voor de periode 2005-2007. ‘Aan de overheid wordt gevraagd in 2005 tot en met 2007 veertig miljoen euro op jaarbasis te investeren in de verdere ontwikkeling van de biologische landbouw en voedingsmarkt’, aldus Biologica.

 

 

Vanzelfsprekend was dit bedrag inclusief een bijdrage voor Biologica.

 

 

Uiteindelijk vond het ministerie van LNV veertig miljoen euro op jaarbasis (120 miljoen euro over de periode 2005-2007) toch iets teveel. Toen haar beleidsnota verscheen stond er ‘maar’ 60.9 miljoen euro beschikbaar. Maar deze teleurstelling werd enigszins goedgemaakt doordat het LNV aan één van hun belangrijkste wensen tegemoet kwam: De verduurzaming van de boodschappentas.

 

 

In april 2006 bleek dat pas 2,5 tot 3 procent van de gekochte boodschappen biologisch was en hun doelstelling voor 2007 ernstig in gevaar kwam. De consumenten liet de duurdere bioproducten – vanwege de prijs en soms kwaliteit – liggen en koos voor de ‘gewone’ waar. Een zak van drie kilo bio-aardappelen kostte bijvoorbeeld ongeveer één euro meer dan de gangbare. Een kilo gehakt van biorunderen was zelfs twee keer zo duur: 10,29 euro tegenover 4,99 euro.

Om deze barrière voor 2007 te doorbreken en alsnog de vijf procent biologische consumentenbestedingen binnen te halen werd wederom diep in de staatsbuidel getast. De gesubsidieerde marktverstoring werd nog eens extra aangedikt. Minister Veerman van LNV lanceerde een gesubsidieerde prijsverlaging voor biologische producten. Daarvoor had hij voorlopig tot 20 augustus 2006 één miljoen euro uitgetrokken.

 

 

Op 28 april 2006 verschenen enkele knallende koppen in de dagbladen: (Volkskrant/Telegraaf) ‘Biomelk en gehakt in de aanbieding.’ Melk, gehakt en zeven andere biologische producten, gingen bij wijze van proef voor een ‘prikje’ weg. De proef werd gehouden in 43 supermarkten in tien plaatsen verspreid over het land. Om goed te onderzoeken welke invloed de prijs had, was de prijsverlaging voor de bioproducten per plaats verschillend, liet een woordvoerster van het ministerie van LNV weten.

 

 

De supermarkten zijn voor het biologische netwerk een onmisbare schakel voor de verbreding van hun markt. De supermarkten, die moesten ervan overtuigd worden dat ze de komende jaren moesten inzetten op het promoten van biologisch als onderdeel van hun beleid. Daarnaast moest ook het eigen personeel net als de consument biologische gaan eten. Biologisch was immers niet alleen duurzaam maar ook nog eens lekker en gezond, of niet soms?!

 

 

In december 1988 verscheen een interview in het huisblad van Milieudefensie met de bekende filosoof Hans Achterhuis. In de aanhef stond een spreuk die sprekend is voor de inhoud van dit hoofdstuk: ‘Wie eenmaal in de appel der gelijkheid heeft gebeten, kan niet meer terug – zelfs al valt de smaak soms tegen.’

 

 

Volgens het eerder omschreven platform Biologica was de belangrijkste reden voor de consument om biologische producten te kopen de verwachting dat die gezonder zouden zijn. In de voorstellen van Biologica aan LNV over de ‘De verduurzaming van de boodschappentas’ werd dit nog eens benadrukt. Al in de eerste zin van het voorstel verscheen: ‘De biologische landbouw levert gezond voedsel van goede kwaliteit’. Daarna volgden nog een aantal opmerkingen als ‘ lekkere en gezonde voeding’. Op pagina tien stond zelfs een ‘moeten’: ‘Het ministerie van VWS moet actief beleid voeren in het kader preventie om in verzorgingstehuizen en ziekenhuizen biologisch voedsel op te dienen.’

 

 

Ook de kopstukken binnen het platform van de milieufederaties, de Stichting Natuur en Millieu of Milieudefensie claimden dat biologisch beter was voor de voedselkwaliteit (gezondheid, smaak). En vanzelfsprekend vonden ook hun partners in de politiek dat biologisch voedsel veiliger en gezonder was. Bijvoorbeeld het Groen-Linkse Tweede Kamerlid Marijke Vos, toen ze de toenmalige minister van Landbouw Brinkhorst aanviel. Ze wilde alleen nog maar producten zonder gif en dus meer biologische producten. ‘U moet de voedselveiligheid beter organiseren’, beet ze de minister toe.

 

 

Biologisch, ecologisch en duurzaam voedsel is lekker, eerlijk, gezond en … verantwoord om te eten. Op zich een goede zaak en een nobel streven, ware het niet dat er hier en daar een vies luchtje hangt aan de campagnes van het DPN. Aan de ene kant stelt men met veel geroeptoeter misstanden in de traditionele voedselindustrie aan de kaak en aan de andere kant heerst er bijna een oorverdovende stilte wanneer blijkt dat hun gezond helemaal niet zo gezond is.

 

 

* De afkorting DPN staat voor het Dubbele Petten Netwerk tussen politiek en gesubsidieerde organisaties.


HAAGSE BLUF!

oktober 27, 2008

 

Tjonge, wat zijn we weer geschrokken. Zit je op je gemak en onder het genot van een kop koffie te genieten van je ontbijt,  lees je op pagina drie van de wakkere krant van Nederland het volgende bericht: “Ontwikkelingsgeld naar rebellenleger”. Uit het artikel blijkt dat het VVD-Tweede Kamerlid Boekestijn er als de kippen bij was om hierover vragen te stellen aan de ‘pepernotenkoning’ van ons huidige kabinet, minister Koenders van het departement Ontwikkelingssamenwerking.

 

Het zal mij benieuwen of het deze keer een of twee weken duurt voordat dit schandaal weer in de Haagse doofpot verdwijnt. Ontwikkelingshulp is immers het exclusieve speeltuintje van vooral de linkse politieke maffiosi – een elitair clubje dat al jaren met prachtige ‘toneelstukken’ de wereld rondreist om gelijkgezinden aan de macht te helpen. Een clubje dat weigert gedegen verantwoording af te leggen over bijna honderd miljard aan gemeenschapsgeld dat al sinds het aantreden van Jan Pronk in het toenmalige kabinet Den Uyl in een bodemloze put is verdwenen.

 

Hun speeltuin is het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij dit departement zijn bijvoorbeeld de afgelopen drie decennia miljoenen euro’s aan gemeenschapgeld zoek. Ja, zoek, verdwenen, want desgevraagd ‘weet men niet’ waar het geld uiteindelijk terecht is gekomen. Men weet het natuurlijk wel, want het is niet de eerste keer dat ons belastinggeld via dit departement bij moordenaars en oorlogsmisdadigers is beland.

 

Ditmaal gaat hem om het luttele bedrag van 326.491 euro dat waarschijnlijk in handen van de Oegandese misdadigers van het Verzetsleger van de Heer (LRA) is gekomen, maar bij tientallen andere gelegenheden verdwenen er miljoenen euro’s in de zakken van rebellen in Sri Lanka, Turkije, Irak, Zuid-Afrika, Namibië, Angola, Mozambique, Filippijnen, Birma, Nicaragua, El Salvador etc. etc.

En ook toen kwamen er protesten, die als sneeuw voor de zon verdwenen.

 

Meneer Boekestijn ik wens u veel succes. Ik blijf deze nieuwe Haagse Bluf! nauwlettend volgen.

 

 

 

 


Politieke maffiosi op Haags, provinciaal en gemeentelijk niveau

oktober 15, 2008

 

 

Alleen een bijltjesdag kan het vertrouwen van de burger in de financiële markt terugwinnen. De schuldigen moeten aan de paal genageld worden. Te beginnen bij de politiek, de Nederlandse Bank, en de raden van commissarissen bij banken etc.

 

 

Voor wie een beetje inzage wil hebben in de smeerlapperij van het politieke financiële beheer: www.bruna.nl…

 

 
 
 
 

 


EEN GESCHENK UIT DE HEMEL

oktober 14, 2008

Voor het kabinet Balkenende kwam de kredietcrisis als een geschenk uit de hemel. Eindelijk kon het ademhalen, want wat hebben de kabinetsleden het benauwd gehad gedurende de twee maanden ervoor.

Zo ontstond eerst de rel rondom het Tweede Kamerlid Wijnand Duyvendak, gevolgd door de Bluf!-affaire rond Jaqueline Cramer, met als toetje het radicale verleden van Jet Bussemaker. Geconfronteerd met deze affaires keek onze minister-president Jan Peter Balkenende stoïcijns de andere kant op, en lapte zelfs alle harde feiten aan zijn laars om zijn kabinet van de dreigende ondergang te redden.

Tijdens het debat over het actieverleden van Jaqueline Cramer probeerde hij zelfs de aandacht af te leiden door het Tweede Kamerlid Rita Verdonk rigoureus de mond te snoeren. Met een grijns op zijn gezicht suggereerde hij dat hij vlak voor haar aantreden als minister in 2003 vertrouwelijk met haar had gesproken over haar eigen radicale actieverleden in het Nijmegen van de jaren tachtig.

Balkenende wist zich gesteund door de politiek correcte media, aan wie er ook veel gelegen is de massale aandacht van het actieverleden van Duyvendak en Cramer af te leiden.

Behalve haar actieverleden was Verdonk ook nog eens lid geweest van de voormalige politieke partij PSP (het huidige GroenLinks). In eerste instantie ontkende Verdonk stellig lid te zijn geweest van de PSP, om daarna te roepen dat ze zich had vergist. Het tv-programma Knevel en Van den Brink, Nova en het weekblad Vrij Nederland hebben haar met veel moeite tot deze bekentenis gedwongen. Tientallen vragen werden op haar afgevuurd vanwege haar PSP-lidmaatschap gedurende haar studententijd in Nijmegen.

Knap onderzoekswerk van deze zelfde politiek correcte media, vind u niet? Ze hadden zelfs kostbare tijd geïnvesteerd om deze ‘schokkende’ feiten via diepgaand onderzoek boven tafel te krijgen.

Grote foei voor Verdonk dus. Hoe kon zij ooit lid zijn geweest van zo’n radicale partij? Een partij die er niet voor terugdeinsde samen te werken met terroristen. Een partij die direct betrokken was bij de heksenjacht op functionarissen van politie- en inlichtingendiensten. Zelfs de gezinnen van deze functionarissen werden daar het slachtoffer van.

Maar als het lidmaatschap van deze partij zo verderfelijk was, waarom zwijgen de media en de politiek dan in alle talen over een van de belangrijkste oud-PSPers, de politica Andreé van Es, die zelfs direct betrokken was bij de voornoemde heksenjacht. Van Es werd in 2007 aangesteld als directeur-generaal Binnenlandse Zaken. Nota bene een functie als bovenbaas van de politie- en inlichtingendiensten. Een positie die vele malen machtiger is dan het Kamerlidmaatschap van Rita Verdonk.

Waarom wordt hier zo oorverdovend over gezwegen? Waarom horen we hierover geen enkel geluid en geen enkel protest van haar voormalige slachtoffers bij politie- of inlichtingendiensten?


DE OBAMA-HYPE IN NEDERLAND

oktober 14, 2008

 

In de Nederlandse media is het Barack Obama voor en Barack Obama na. Hier heeft hij de Amerikaanse verkiezingen al gewonnen. Maar waarom sluit Nederland deze nieuwkomer zo kritiekloos in zijn armen? Hoe heeft het zover kunnen komen?   

 

Wie de afgelopen decennia een beetje de maatschappelijke gevolgen van de  invloedrijke socialistische agenda in Nederland heeft kunnen volgen, kan in grote lijnen voorspellen waartoe een eventueel presidentschap van Barack Obama zal leiden. Enkele voorbeelden: ontmanteling van het defensiesysteem, nog meer onveiligheid, meer asielzoekers en een grotere lastenverzwaring voor (werkende) burgers en bedrijven.

 

Dit zal in belangrijke mate komen omdat niet de gekozen regering van de Verenigde Staten het daadwerkelijke nieuwe beleid zal gaan bepalen, maar het enorme buitenparlementair netwerk waartoe Obama jarenlang behoorde. Een machtig netwerk dat al meer dan twintig maanden alle ter beschikking zijnde middelen inzet om hem aan het bewind te helpen.    

 

Een en ander ving aan op 12 januari 2007, toen meer dan duizend leiders van dit netwerk bijeen kwamen om hun gezamenlijke agenda te bepalen. De bijeenkomst was georganiseerd door the Campaign for Community Values onder de noemer ‘Heartland Democratic Presidential Forum’ Tijdens deze conferentie werd Barack Obama de navolgende vraag gesteld: “If elected president of the Unites States, would you agree in your first one hundred days to meet with a delegation of representatives from this various communities organizations – the Campaign for Community Values? Could they count on you in your first one hundred days to sit down with them? “

 

Obama wond er geen doekjes om en antwoordde met verheven stem: “Yes, but let me even say before I even get inaugurated, during the transition we going to be calling all of you in to shape our agenda.”

 

Deze uitspraak had een opmerkelijke gelijkenis met een uitspraak van één zijn socialistische collega’s, de PvdA’er Bert Koenders, die enkele weken later woorden van dezelfde strekking sprak in Nederland.

 

Toen het voltallige Kabinet Balkenende 4 tijdens zijn eerste honderd dagen door het land trok om met de burgers van gedachten te wisselen over een nieuw beleid, toog Koenders spoorslags naar zijn oude kameraden van de Evert Vermeer Stichting (EVS).

De EVS is niet alleen een belangrijke denktank van de Partij van de Arbeid, maar is in Nederland tevens via haar partners verbonden met een enorm en invloedrijk buitenparlementair netwerk. Een netwerk dat ons land onder meer heeft opgezadeld met het enorme kapitaalverslindende Generaal Pardon, de gigantische lastenverzwarende milieumaatregelen en ministers, staatssecretarissen of hoge ambtenaren wiens dubieuze verleden krampachtig met de mantel der politieke liefde bedekt wordt.

 

Wetenswaardig is dat ditzelfde netwerk nauwe banden onderhoudt met het netwerk van Barack Obama.

 

Terug naar Bert Koenders. Als de nieuwe minister van Ontwikkelingssamenwerking sprak Koenders op 14 april 2007 zijn oude kameraden toe op de jaarlijks terugkerende Afrikadag van de EVS. Ook hij benadrukte wie zijn beleid zou gaan bepalen: “Dames en heren, beste vrienden, partijgenoten, fans van de Evert Vermeer Stichting! Voor mij is het echt fantastisch om vanmorgen hier te zijn, en dat zeg ik niet zomaar, want dit is “home sweet home”. Dit is mijn thuisbasis, mijn plek. Een plek met echte nestgeur. (…) En ik ben dus ook ongelofelijk trots dat ik namens u, nu en straks, als minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan het werk kan gaan. (…)Begin jaren negentig was ik nog jullie bestuurslid. (…) Nu hoop ik eigenlijk uw stem te zijn in het Nederlandse bestuur.”

 

De nauwe verbintenis tussen de Amerikaanse en Nederlandse socialisten bestaat al jaren, vooral binnen de buitenparlementaire netwerken. De belangrijkste verbinding is het Amerikaanse IPS en het Nederlandse TNI netwerk, waarin de socialisten rijkelijk vertegenwoordigd zijn. De buitenparlementaire tentakels van het IPS-TNI netwerk reiken tot in bijna alle maatschappelijke gelederen van ons land. Mede daarom is de mediahype rond Obama in Nederland niet zo vreemd.

 

Belangrijke PvdA-politici staan openlijk aan Obama’s zijde. Om die reden werden staatssecretaris Jet Bussemaker en minister Wouter Bos wegens hun vergaande publiekelijke voorkeur voor Obama onder meer door premier Balkenende op de vingers getikt.

 

Hoe kort de lijntjes zijn tussen het Obama-kamp en socialistisch Nederland, openbaart zich het meest via het prominente PvdA-lid Kirsten Verdel. De oud-woordvoerder van Bill Clinton, Michael Gehrkie, die nu belast is met de campagne voor de presidentsverkiezingen, stelde haar aan als stafmedewerker van het campagneteam. Haar kennis van campagnestrategieën is zeer welkom in de strijd die wordt geleverd om Barack Obama in het Witte Huis te krijgen.

 

Verdel heeft een aanzienlijke staat van dienst. Zo was zij onder meer werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, campagneleider van de PvdA in Rotterdam, werkzaam bij het Landelijk Partijbureau van de PvdA tijdens de Tweede Kamer- en Provinciale Statenverkiezingen en statenlid in Zuid-Holland. Ze voerde campagne voor oud-minister Klaas de Vries voor het lidmaatschap van de Eerste Kamer en was ontwikkelingshulpverlener in China en Sierra Leone. Nu werkt ze als enige buitenlander in het campagneteam van Barack Obama op het hoofdkantoor in Washington DC.

 

De eerste maanden hield ze zich bezig met rapid response, opposition research en de debatvoorbereiding van Obama. Daarna ging ze aan de slag in het Political Department, waar gewerkt wordt aan de ontwikkeling en uitvoering van de campagnestrategie voor de laatste zes weken van de campagne. Ze stuurt persberichten en reacties de deur uit, en haar berichtgeving wordt rijkelijk verspreid in Nederland. Ze schrijft voor Vrij Nederland en het Financiële Dagblad, en heeft tevens artikelen gepubliceerd in de Volkskrant, Trouw, Lokaal Bestuur, Intermediair en Erasmus Magazine. Tevens post ze op de website FOK onder de naam darktower.

 

Op 4 november 2008 is het zover. De kiezer mag dan wel bepalen wie de nieuwe president wordt, maar het zullen uiteindelijk de buitenparlementaire netwerken zijn die het beleid gaan bepalen. Wie zich daarin wil verdiepen doet er goed aan om eens de inhoud van de navolgende websites tot zich te nemen.

 

http://www.communitychange.org/who-we-are/our-partners/midwest

 

http://www.communitychange.org/who-we-are/our-partners/northeast

 

http://www.communitychange.org/who-we-are/our-partners/northwest

 

http://www.communitychange.org/who-we-are/our-partners/southeast

 

http://www.communitychange.org/who-we-are/our-partners/southwest

 

http://www.ips-dc.org/about/partners

 

http://www.newprogressivevoices.org/

 


WIE BOTER OP ZIJN HOOFD HEEFT KAN MAAR BETER UIT DE ZON BLIJVEN

september 16, 2008

OPEN BRIEF

Aan de minister-president, Jan Peter Balkenende.

Loosdrecht, 16 september 2008

Geachte heer Balkenende,

Op 3 september 2008 stelden de VVD-Kamerleden Van Miltenburg en Neppérus drie schriftelijke vragen* aan u over de contacten van staatssecretaris Bussemaker met de links extreme organisatie Jansen & Janssen. Drie vragen die u, ondanks het enorme controle- en veiligheidsapparaat dat u ter beschikking staat, nu – veertien dagen later – nog steeds niet heeft beantwoord. Dit is voor mij als deskundige op het gebied van links-extreme organisaties, en zonder een immens controleapparaat ter beschikking, een onverteerbare zaak.

Mede omdat u de affaire rond minister Jacqueline Cramer op een nogal gemakzuchtige wijze heeft afgehandeld, heb ik inzake de huidige zaak Bussemaker maar vast het voortouw genomen om het Nederlandse publiek over het een en ander nader te informeren.

In afwachting van uw reactie op de vragen van de VVD verblijf ik,

hoogachtend,

Peter Siebelt

* (Kamervragen VVD):

1.      Bent u bekend met de tv-uitzending over de betrokkenheid van staatssecretaris Bussemaker met de organisatie Jansen en Janssen; een organisatie die zich nog steeds zeer kritisch opstelt ten opzichte van de politie?

2.      Wat is uw oordeel over deze betrokkenheid van de staatssecretaris, hoe was haar houding toen, hoe kijkt ze er nu tegen aan en hoe is uw reactie daarop?

3.      Heeft u kennisgenomen van de opmerking in de uitzending dat staatssecretaris Bussemaker deze zaken aan u heeft gemeld als antwoord op uw vraag bij de Kabinetsformatie of er nog relevante feiten waren uit het verleden of het heden die mogelijkerwijs het Kabinet konden schaden? Op basis waarvan heeft u geconcludeerd dat er geen probleem was?

Er is geen bericht geselecteerd

Klik op een bericht om het in het leesvenster te bekijken. Bijlagen, afbeeldingen en links van onbekende afzenders worden om privacy- en veiligheidsredenen geblokkeerd.

Als je berichten automatisch wilt weergeven als je een map selecteert, kun je de leesvensterinstellingen wijzigen

WIE BOTER OP ZIJN HOOFD HEEFT KAN MAAR BETER UIT DE ZON BLIJVEN

Sommigen van ons wisten het al: Jet Bussemaker, onze huidige staatssecretaris van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, is een ex-kraakster. Maar wat we niet wisten was dat zij van 27 september 1991 tot en met 1 maart 1996 bestuurslid is geweest bij Res Publica, een stichting die het links-radicale onderzoeksbureau Jansen & Janssen (J&J) ondersteunde, en tevens voor hen als een soort holding of financieel beheerder functioneerde. “Ik heb daar nooit een geheim van gemaakt”, aldus Bussemaker in het actualiteitenprogramma Nova.

Aardig gezegd, maar waarom werden Bussemakers werkzaamheden voor deze organisaties zorgvuldig voor het grote publiek verzwegen? Zo is er tot september 2008, behalve in een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, nergens ook maar één kleine vingerwijzing naar deze verbintenis te vinden. Niet in haar officiële CV, niet in de vele levensbeschrijvingen over haar, niet in andere publicaties in de media, en niet op belangrijke websites, zoals de website van haar ministerie, haar partij (de PvdA), Wikipedia, parlement.com of regering.nl. Zelfs op haar eigen weblog is er niets over te vinden.

Frappant. Waarschijnlijk geldt hier het spreekwoord: “Wie boter op zijn hoofd heeft kan maar beter uit de zon blijven.”

Dat Bussemaker betrokken was bij J&J hoorden we pas nadat de VVD op 3 september 2008 uitleg eiste van premier Jan Peter Balkenende, en het weekblad Elsevier erover publiceerde.

Volgens Balkenende had Bussemaker bij haar aanstelling haar betrokkenheid bij J&J gemeld, en daarbij gaf ze aan altijd binnen de grenzen van de wet te hebben gehandeld. Daarom vond hij het verleden van Bussemaker geen belemmering voor haar benoeming tot staatssecretaris en heeft het daarbij gelaten.

Daarna volgden er enkele dagen van ijzige stilte. Het journaille liet de zaak liggen. Na de mediahype rond Wijnand Duyvendak en Jaqueline Cramer waren kreten als ‘een heksenjacht op links’ niet van de lucht. Daar wilde men liever afstand van nemen; een dergelijke kretologie zou uiteindelijk hun geloofwaardigheid aan hebben kunnen tasten.

Het was de journalist Stan de Jong die voor het weekblad Revu een onderzoek naar J&J verrichtte. Hij waagde die stap wel en kwam na enkele dagen met een kort verslag. Hij begon met de opmerking: “De berichtgeving over de linkse stichting waarin staatssecretaris van Volksgezondheid Jet Bussemaker actief was, waaide wel heel snel over.” De Jong vroeg zich af welke stichting het was: “Wie zaten er nog meer in? En wat deed deze stichting?” Daarna gaf hij een korte toelichting.

“Dit bureau schreef onder meer publicaties – zoals De Tragiek van een Geheime Dienst – waarin de namen en adressen van medewerkers van inlichtingen- en veiligheidsdiensten werden afgedrukt. Veel van deze medewerkers werden daarop thuis lastiggevallen door extreemlinkse activisten.

Uit deze gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat Bussemaker van september 1993 tot maart 1996 penningmeester was van de in Amsterdam gevestigde stichting Res Publica, die als formele doelstelling zou hebben het ‘organiseren van beurzen, tentoonstellingen, braderieën e.d.’. Opvallend zijn de namen van een aantal medebestuursleden, zoals Johannes (Jan) van Buuren, die samen met Wijnand Duyvendak aan de wieg stond van uitgeverij Ravijn, die o.a. publicaties van J&J verzorgde. Van Buuren, destijds huisgenoot van Duyvendak, werd in 1988 gezocht door de politie wegens mogelijke betrokkenheid bij de terreurgroep RaRa die verantwoordelijk was voor brandstichtingen op Makro-vestigingen en aanslagen op Shell-stations. (…)

Een andere opvallende naam bij Res Publica is de in 1960 in Vught geboren Maria Goretti Christina van Riet, die in 1996 secretaris werd. Van Riet zat samen met Duyvendak in de antimilitaristische organisatie Onkruit, een ondergrondse groepering die tot midden jaren tachtig inbraken deed in kazernes, commandobunkers en militaire opslagplaatsen. In 1984 werd Van Riet samen met Duyvendak op heterdaad betrapt tijdens een inbraak in het MIBO-complex in Dubbeldam. (…) Duidelijk is dat Bussemaker, die in een kraakpand woonde en voordat zij lid werd van de PvdA actief was in GroenLinks, tenminste heel dicht in de omgeving van harde activisten zat,” aldus Stan de Jong.

“Harde activisten”, een bescheiden formulering. J&J was een zéér schimmig groepje radicalen die jarenlang op smerige wijze de jacht opende op functionarissen van politie- en inlichtingendiensten. Een club die nauw verbonden was met het links-radicale blad Bluf! – het blad dat recentelijk veel aandacht kreeg in de media naar aanleiding van het schandaal rond het ex-Tweede Kamerlid van GroenLinks, Wijnand Duyvendak. J&J was een club die ijskoud les gaf in terreur aan ‘terroristen’ in binnen en buitenland.

Binnen de kraakbeweging wist bijna iedereen wie J&J was en waartoe het bureau in staat was, zo ook Jet Bussemaker. Zij wist wel degelijk bij welke oude kameraden zij in september 1991 in dienst trad. En ze kwam niet zomaar ‘even langs’ als bestuurslid en penningmeester. Nee, ze bleef er 54 maanden (vier en een half jaar) direct bij betrokken.

Balkenende vond haar verleden geen belemmering voor haar huidige positie, maar hoe denken de Nederlandse burgers hierover? Hoe denken zij over hun staatssecretaris, wanneer ze een beetje meer over haar achtergrond weten? Laten we even terug gaan in de tijd.

Toen Bussemaker politicologie ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam, raakte ze al snel betrokken bij de kraakbeweging. Op zich niet zo bijzonder omdat de universiteit een bolwerk was van links-radicale activisten en linkse professoren; een soort kraamkamer voor krakers, hackers, voorstanders van de opstand in Nederland, de revolutie in de Derde Wereld, het feminisme en ‘vrouwenstudies’.

Tijdens haar studie woonde Bussemaker een aantal jaren in een enorm kraakpand achter het Paleis op de Dam, het voormalig NRC Handelsblad complex aan de Voorburgwal in Amsterdam. Het gebouw was al in maart 1978 gekraakt, maar de daaropvolgende strenge winter zorgde ervoor dat de meeste krakers ergens anders een onderkomen zochten. Maar Bussemaker was niet zo’n doetje en sloot zich aan bij een groep krakers die van meet af aan beter waren georganiseerd en die het gebouw in mei 1979 herkraakten. Al snel groeide haar groep uit van ca. veertig tot tachtig mensen. Een groep waarvoor de gemeente Amsterdam het letterlijk en figuurlijk in de broek deed. Dat bleek wel toen de gemeente enkele dagen voor de kroning van koningin Beatrix een wit voetje bij ze probeerde te halen, en in april 1980 bekend maakte dat zij het gebouw ging aankopen voor 3,7 miljoen gulden. Een toezegging die zij kort daarop nakwam zonder overleg vooraf en zonder enige verplichting voor de krakers.

 “Ik ben toen ik ging studeren in 1979 in het kraakpand van het voormalig NRC Handelsblad in Amsterdam terecht gekomen, vlakbij de Dam; daar woonde ik met andere studenten, punks, lesbische woongroepen (…) Ik woonde daar ook bij de kroning van Beatrix in 1980. Als niet helemaal gewenste buren kregen we allemaal een oranje kaart, door ons onmiddellijk omgedoopt als krakers-pas. De scherpschutters mochten van ons niet op het dak, die stonden dus op andere daken op ons afgesteld,” aldus Bussemaker in 2006 in het blad Lava van de Jonge Socialisten van de PvdA.

In de studiegroep politicologie aan de Universiteit van Amsterdam raakte ze al snel bevriend met een aantal extreme activisten uit de kraakbeweging. Eén van hen was Eveline Lubbers, medeoprichter van Bluf! en J&J, en langdurig redactielid van beiden.

Door de jaren heen klaarden beide dames menig klusje. Zo startte het duo samen met een aantal anderen – waaronder Selma Leydesdorff (de bedenkster van de naam Dolle Mina) – in 1983 een project ‘Het politieke verzet van bijstandsvrouwen’. Een belangrijk doel van het project was het inkomen van vrouwen die actief waren binnen de beweging veilig te stellen. In 1985 resulteerde het project onder meer tot het publiceren van het boek ‘Zielig zijn we niet.’ De uitgave werd gesubsidieerd door de Universiteit van Amsterdam en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In aansluiting op het project werd Bussemaker van 1987 tot 1988 onderzoeker en onderzoeksprogrammeur (verzorgingsstaat, uitkeringsgerechtigden en politieke potentiëlen) aan diezelfde universiteit.

Aardig om te weten is dat Bussemaker van 1986 tot 1988 ook wetenschappelijk medewerker was van de Stimuleringsgroep Emancipatieonderzoek bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het ministerie dat menigmaal werd aangepakt door haar kameraden. Vooral omdat het ministerie wilde korten op hun uitkeringen. Dat moest gestopt worden, op welke wijze dan ook.

In Bluf! (nummer 177, 4 juli 1985, pagina 7), werd een lijst afgedrukt met de namen van ambtenaren die bij het ministerie werkzaam waren, inclusief hun privéadressen en telefoonnummers, met de navolgende oproep: “Hoe je iemand op zijn/haar verantwoordelijkheid aanspreekt is ieders eigen keuze, van opbellen en om inlichtingen vragen tot gezellig op de koffie gaan of erger. Het is maar net waar ze verantwoording voor dragen.” Waar dat toe leidde hebben we recentelijk uit de affaire van Duyvendak mogen vernemen, alleen waren het toen ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken die de trieste gevolgen mochten ervaren.

In deze turbulente tijd schreef Bussemaker ook het krakersboek ‘Wij blijven lachen – De Beweging met ‘Bluffers’, waaronder Geert Lovink en Jo van der Spek, medeoprichters en jarenlange medewerkers van Bluf!.

Het ministerie bleef doelwit van de activisten, hetgeen enorm escaleerde toen RARA in de nacht van 30 juni op 1 juli 1993 een bomaanslag pleegde op de derde verdieping van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in Den Haag.

De daders zijn nooit gepakt, ze hadden de afgelopen jaren hun lesje geleerd, vooral nadat hun voorgangers Duyvendak en Van Riet bij een inbraak op heterdaad waren gepakt. Toen ging de kraakbeweging er steeds meer vanuit dat politie- en inlichtingendiensten door infiltratie binnen hun gelederen op de hoogte waren geweest van hun plannen. Dat moest een halt worden toegeroepen en het werk van deze diensten moest kapotgemaakt worden.

De politie- en inlichtingendiensten hadden een aantal malen op succesvolle wijze acties van de kraakbeweging gefrustreerd. Paranoia vierde hoogtij, ook bij een groot aantal studenten op de universiteit. 

Binnen het Bluf!-kamp stroomden de verzoeken binnen van actiegroepen, die benieuwd waren hoe ze de politie en inlichtingendiensten van zich af konden houden of aan langdurige gevangenschap konden ontkomen. Voor J&J was dit een kolfje naar hun hand.

In 1984 namen Peter Klerks (momenteel lector aan de politieacademie in Apeldoorn) en Eveline Lubbers het initiatief tot de oprichting van J&J. De beweging kreeg zo  haar eigen ‘spionagedienst’.

In die periode studeerden behoorde Bussemaker tot hetzelfde groepje studenten politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Jansen & Janssen, een geschiedenis die zijn weerga niet kent.

In samenwerking met andere radicalen begonnen Lubbers en Klerks de bevoegdheden, organisatiestructuur en werkzaamheden van politie- en inlichtingendiensten en beveiligingsfirma’s tot in detail in kaart te brengen. De resultaten hiervan werden via hun eigen kanalen binnen de beweging gepubliceerd. Blootleggen wat verborgen werd gehouden was het startmotto. Hoe dat gebeurde interesseerde ze geen barst. Inbreken, verzamelen en publiceren gingen als het ware hand in hand. Daarnaast achtervolgden ze iedereen die maar enigszins bedreigend kon zijn voor de activiteiten van hun achterban.

De paranoia voor BVD-infiltratie was zo groot dat men meedogenloos de jacht opende op kameraden die ervan verdacht werden dat ze als infiltrant voor politie en inlichtingendiensten werkten. Dat mocht onder meer Joop de Boer ervaren; hij werd ontvoerd en gemarteld totdat hij bekende voor de BVD te werken. Maar ook anderen die geheel onschuldig waren, werden slachtoffer van deze paranoia. Bijvoorbeeld Edward Neering. Op 20 januari 2008 schreef hij op zijn weblog over zijn ervaringen als volgt: “Dieptepunt destijds was dat ik ooit door de medewerkers van Res Publica werd beschuldigd en benaderd als BVD-infiltrant (nu AIVD).”

‘Permanent ondermijnend bezig zijn, zo heb ik ooit mijn doel met J&J geformuleerd’, liet Lubbers via haar website weten. Op haar eigen website voegde ze daar nog iets aan toe: ‘In de jaren tachtig ondersteunde J&J het openbaar maken van geheime informatie die bijvoorbeeld door inbraken bij politie of militaire objecten (door Onkruit) vrijkwam.’

Zonder die geheime informatie was het J&J waarschijnlijk nooit gelukt een invloedrijke positie te verwerven binnen de beweging. Zeker niet in de beginjaren tachtig, toen het niet eenvoudig was om iets boven water te krijgen over bijzondere afdelingen van de politie. Dit probleem werd op ingenieuze wijze opgelost. Naar eigen zeggen behoorde ‘[A]ctietuig dat een politiebureau wil bestormen’  tot de doelgroep van J&J. Desgevraagd weigerden ze om als ‘bewegingspolitie’ te fungeren. De actiegroepen zelf werden niet onderzocht. Dat was niet hun taak, vond Lubbers: “We worden vaak gebeld: of we iets over RaRa en zo weten. Dat doen we dus niet.” Na deze opmerking hield zij zich van de domme en liet erop volgen: “Ik weet het ook niet.”

 J&J leverde informatie aan iedereen die er wat zinnigs mee kon doen, ook aan buitenlandse extremisten die in Nederland onderdak zochten. J&J had het antwoord, voor elk niveau van actie stonden ze klaar, ook voor terreuracties waarbij het hoogste niveau van voorbereiding, voorzichtigheid en zorgvuldigheid hoorde. Acties waarbij de daders vooraf of achteraf een politieke boodschap achterlieten of een aanslag claimden door middel van een persverklaring. Ook voor hen was J&J de vraagbaak, de voorlichter. Ze gaven advies over:

·         Hoe schrijf je een persverklaring na een aanslag zonder dat de opsteller achterhaald wordt?

·         Wat moet je doen als je benaderd wordt door de BVD?

·         Hoe kun je het beste langdurige verhoren doorstaan?

Ook voor het saboteren van politieonderzoeken gaf men nuttige tips:

·         Schildpad-methode: luister niet naar wat ze zeggen, zet je verstand op nul, toon op geen enkele manier interesse, pak een pen of elastiekje als speeltje. Doel van de methode is jezelf te beschermen, de smeris wordt alle mogelijkheden ontnomen grip op je te krijgen.

·         Destructie-methode: houd je in alle rust bezig met het afbreken van koffiekopje-oortjes, verbuigen van lepeltjes, losdraaien van de telefoon of het draaien van nummers; verbuig de armpjes van hun typemachine of morst je koffie over je dossier.

·         Agressie-methode: verscheur je dossier, trekt het telefoonsnoer stuk, verniel het portret van het gezin van de rechercheur, laat je niet naar de cel terugbrengen, pis tegen het bureau. Doel: het blijk geven van je algehele minachting voor het politiegebeuren, het maakt duidelijk dat ze met jou niet hoeven proberen te sollen.

Bureau J&J kon op ongelooflijk brutale wijze jarenlang zijn gaan, zonder noemenswaardige tegenstand van regering of justitie.

In die tijd lag de kracht van figuren als Bussemaker, Lubbers, Duyvendak en andere betrokkenen in de schimmige structuren en rolverdeling die men gecreëerd had. Een buitenstaander kon door de bomen het bos niet meer zien.

 Een klein voorbeeld:

·         Redactieleden van Bluf! braken in om vertrouwelijk documenten te bemachtigen en publiceerden hierover in hun eigen blad.

·         Leden van J&J, waaronder Lubbers of Fjodor Molenaar, coördineerden overleg tussen radicale groepen, adviseerden, onderzochten en analyseerden (gestolen) documenten.

·         De uitgeverij Ravijn, met in het bestuur en redactie Lubbers, Duyvendak, Geert Loovink, Van Buuren, publiceerde en verspreidde de publicaties.

·         Res Publica – met onder meer bestuursleden als Bussemaker, Fjodor Molenaar en Van Buuren – beheerde de opbrengsten van de publicaties of andere inkomsten.  

Wetenswaardig is de wijze waarop Ravijn is ontstaan. Na het opheffen van Bluf! was er ongeveer twaalfduizend gulden overgebleven. Met dat geld werd Ravijn opgezet. Veel mensen van Bluf!, waaronder Duyvendak en Lubbers gingen over naar Ravijn. Lubbers en Duyvendak kregen vaak stukken ‘aangeboden’ die eigenlijk geen boek waren. Ravijn wilde dit toch publiceren. Maar uit de ervaring met onder meer het publiceren van gestolen documenten had men geleerd dat het noodzakelijk was om een duidelijke scheiding tussen redactie en schrijvers te houden. “Belangenverstrengeling gaf ingewikkelde problemen”, aldus Lubbers en Duyvendak tijdens een bijeenkomst van radicalen.

Alle voornoemde personen waren weliswaar onlosmakelijk met elkaar verbonden door hun verleden, opleiding, activiteiten en dubbele petten, maar waren voor justitie zo goed als ongrijpbaar door de taakverdeling en onafhankelijkheid van de feitelijk los van elkaar opererende stichtingen waarin ze actief waren.

Ondanks, of juist door het voornoemde rijst op dit moment bij enkelen de vraag of de situatie binnen de club van Lubbers nog hetzelfde was toen Bussemaker in september 1991 aantrad bij Res Publica/J&J.

Nee, ze waren door ervaring wijzer, sluwer en nog ongrijpbaarder geworden. Toen Bussemaker aantrad heerste er een gemengde sfeer. Een sfeer van gespannenheid omdat bijvoorbeeld de uitgeverij Ravijn door middel van een gerechtelijke uitspraak was gedwongen om te stoppen met het uitgeven van het boek De Tragiek van een geheime Dienst. Maar ook een jubelsfeer, omdat men de BVD een enorme hak had gezet.

Eerst even over het boek De Tragiek van een geheime Dienst dat in november 1990 was verspreid door Eveline Lubbers en haar kameraden. In Het Parool van 17 november 1990 zegt Lubbers: “In totaal denk ik dat we enkele duizenden boeken hebben verkocht.” Het boek was een soort vervolg op eerdere publicaties over politie- en inlichtingendiensten; bijvoorbeeld in het boek Speuren bij de bespieders of de Stillenregistratie in Bluf! Ditmaal was de werkwijze van de politie-inlichtingendienst in Nijmegen en omgeving tot in detail in kaart gebracht. Maar de grootste rel veroorzaakte de publicatie van de foto’s, privéadressen, telefoonnummers, autotypes en kentekennummers, burgerlijke staat, activiteiten in het privéleven en eventuele kinderen van inlichtingen- en politiemensen in Nijmegen. De politiefunctionarissen waren geschokt. Door de publicatie konden zij hun werk niet meer doen en werden hun gezinnen bedreigd.

Samen met de gemeente Nijmegen spande de politie een kort geding aan tegen Ravijn en andere verspreiders van het boek. Maar de schrijvers konden niet aangeklaagd worden, omdat hun identiteit onbekend was. “We weten ook niet wie de schrijver is. Op een gegeven moment stond hier een partij in dozen verpakte boeken op de stoep”, beweerde een medewerker van Ravijn in de Volkskrant van 7 november 1990.

Ten slotte werd Ravijn toch veroordeeld en bleef het met een grote financiële strop zitten. Om dat gat te dichten, en om door te gaan met het uitgeven en verspreiden van dit soort publicaties, werd er zeker tot eind 1992 binnen de beweging gevraagd om gul te storten op het gironummer van Ravijn. Wetenswaardig is dat de Nijmeegse groep krakers die mee hadden gewerkt aan het boek (waaronder de op 15 november 2005 vermoorde Louis Sévèke) later een soort ‘zelfstandige’ afdeling werden van J&J, onder de naam Onderzoeksbureau Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (OBIV).

Dan nog even over de jubelsfeer. In de periode dat Bussemaker bij J&J betrokken was gingen de activiteiten tegen justitie, politie en inlichtingendiensten gewoon door, alleen was de koers iets meer verlegd. Men ageerde nu tegen het vluchtelingenbeleid.

Opvallend is dat Bussemaker op dat moment niet alleen de pet op had van Res Publica, maar ook een tweede pet, die van haar lucratieve uitvalspost: de Universiteit van Amsterdam. Daar werkte ze onder meer als toegevoegd onderzoeker faculteit politieke en sociaal-culturele wetenschappen, deeltijd universitair docent vakgroep politicologie en bestuurskunde, en werkte ze mee aan een door de Stichting Recht en Openbaar Bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gesubsidieerd onderzoek. 

En daar bleef het niet bij, petje drie was haar lidmaatschap van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks. De partij die niet alleen tot over haar oren betrokken was bij de jacht op politie- en inlichtingendiensten, maar ook haar steentje bijdroeg aan het saboteren van het Nederlandse asielbeleid. Belangrijke partijleden van deze aanpak waren Wilbert Willems en Andrée van Es.  Zij keerden zich fanatiek tegen het Nederlandse asielbeleid en het feit dat de BVD actief was in kringen van asielzoekers en vluchtelingen.

Begin 1990 was J&J begonnen met het verspreiden van een enquêteformulier onder tientallen organisaties om gegevens te verzamelen over asielzoekers die waren benaderd door inlichtingendiensten. Advocatenkantoren, vluchtelingenzelforganisaties, kerken en vluchtelingengroepen deden eraan mee. Aan het eind van het jaar werden de resultaten van het onderzoek gepubliceerd in het als boekje De vluchteling achtervolgd – De BVD en asielzoekers. Naar aanleiding van het onderzoek diende het GroenLinks-Kamerlid Willems onmiddellijk een motie in om de bevoegdheden van de BVD op het terrein van asielzoekers in te perken.

Intussen kregen advocaten, hulpverleners en vluchtelingengroepen van J&J voorlichting over de werkwijze van de inlichtingendiensten en hun contacten met de Vreemdelingendienst. Asielzoekers kregen het uitgebreide ‘Tips en Aanbevelingen’ over de wijze waarop ze met inlichtingdiensten om moesten gaan en hun verblijf in Nederland veilig moesten stellen. “Asielzoekers moeten direct na aankomst in Nederland ingelicht worden over de ‘praktijken’ van de Vreemdelingendiensten, de PID en de BVD”, aldus J&J.

Een van de meest spraakmakende acties gebeurde toen Bussemaker amper op haar plek zat. Op 10 oktober 1991, toen in Utrecht een van de meest gezochte rebellen uit de Filippijnen, Nathan F. Quimpo, door functionarissen van de Nederlandse en Amerikaanse inlichtingendienst werd benaderd om als informant te werken. Mispoes, Quimpo had de ‘Tips en Aanbevelingen’ van J&J goed gelezen en wist samen met hen de inlichtingenfunctionarissen in een val te lokken. Ook de Vara deed mee. Op 2 november 1991 maakte het actualiteitenprogramma Achter het Nieuws er een spektakel van: een wegsnellende BVD-agent, een nuchtere CIA-man, een zielige Quimpo die op de vlucht was voor een ‘vreselijk Filippijns regime’, en Quimpo’s advocaat Tomlow, die het ‘ongehoord’ vond dat zijn cliënt de asielzoeker werd benaderd om informatie te geven. De regie van de uitzending was in handen van een van Nederlands bekendste presentatoren, Paul Witteman.

En ook het samenwerkingsverband met GroenLinks deed zich gelden. Wilbert Willems had zijn Kamervragen al klaar liggen. Zijn Tweede-Kamerfractie was ziedend over de handelswijze van de BVD. Men wilde onderzoek, eiste opheldering van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Ien Dales, en er moest onmiddellijk gestopt worden met het benaderen van asielzoekers.

Volgens Willems waren de beelden die op tv te zien waren geweest eerder regel dan uitzondering. Tevens eiste hij extra bescherming voor Quimpo, omdat de CIA-man zou hebben gezegd: ‘You’re finished’. Willems wilde weten of de bemoeienis van de BVD en de CIA met Quimpo geen nadelige gevolgen hadden voor de toekenning van een verblijfsvergunning. Aan het eind van het liedje werd aan Quimpo een asielstatus verstrekt.

Gezien hun belangrijke rol binnen de beweging is het niet verwonderlijk dat J&J continu in de gaten werd gehouden door politie en inlichtingendiensten.

“Maar dat deden ze zo knullig. (…) Eigenlijk lachwekkend”, vertelde Eveline Lubbers in een interview. “In ’88 heeft de BVD geprobeerd een zolder te huren, die gesitueerd was tegenover ons toenmalige kantoor. Ze vroegen het bij toeval aan een bewoner, die journalist was bij de NRC. Dat kwam dus meteen in de krant en het BVD-feestje ging niet door.”

Bij een andere poging probeerde de BVD aan de overzijde van Lubbers’ vroegere woning in de Jordaan een etage te huren. “Een overbuurvrouw kwam op een dag in onthutste toestand aangelopen met de mededeling dat ze de BVD aan de deur had gehad. Die vroeg of ze een tijdje van haar woning gebruik konden maken, omdat ze de overkant in de gaten wilden houden.”

Terug naar Bussemaker. In 1995 nam zij afscheid van GroenLinks en werd lid van de PvdA. Dat kwam voornamelijk door de vele gesprekken die ze had gehad met Maarten van Traa en haar oude strijdmakker Andrée van Es. Van Es kende ze nog uit de veelbewogen krakersperiode, en dan voornamelijk uit het ‘activistisch-feministische’ circuit en de jacht op politie- en inlichtingdiensten. Bij de PvdA lag het dubbele petje van Bussemaker iets gevoeliger, hetgeen er waarschijnlijk toe geleid heeft dat zij in maart 1996 uit het bestuur van Res Publica stapte.

Daarna bleef ze nog twee jaar actief als deeltijd universitair docent bij de vakgroep Politicologie en Bestuurskunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, werd in mei 1998 lid van de Tweede Kamer, om ten slotte op 22 februari 2007 te worden aangesteld als staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Tot slot

Nee, voor zover mijn onderzoek tot nu toe strekt heeft Bussemaker niet zelf, ingebroken, bommen geplaatst, huizen beklad of ruiten ingegooid van politie- en inlichtingenmensen of hun gezinnen geterroriseerd met nachtelijke dreigtelefoontjes. Nee, net zomin als de nazi Goebbels zelf Joden naar de gaskamer heeft gebracht of de Serviër Karadic moslims heeft vermoord in het voormalig Joegoslavië. Nee, zij behoorde tot het ‘schone handen niveau’, het vuile werk liet zij over aan ‘kameraden’ als Eveline Lubbers en Duyvendak.

Het is heel begrijpelijk dat de oude kameraden of leden van Res Publica, J&J, Ravijn – of andere links-radicale organisaties in Nederland – zeer zwijgzaam zijn over hun verleden. Het is begrijpelijk, omdat een aantal van hen zich sindsdien vrijelijk bewegen of bewogen hebben binnen het hart van onze overheden en politiek. Wijnand Duyvendak als Tweede Kamerlid voor GroenLinks, Jet Bussemaker (PvdA) als Staatssecretaris, Peter Klerks (PvdA) als lector aan de politieacademie, Andrée van Es (GroenLinks) als directeur generaal bij Binnenlandse Zaken of Jaqueline Cramer van Vrom.

Wist onze premier eigenlijk wel waarover het ging toen hem vragen werden gesteld over Bussemakers verleden, of was voor hem op dat moment de formatie van een nieuw kabinet veel belangrijker en maakte het niet uit wie hij binnen zijn gelederen haalde? Het geeft te denken, zeker wanneer we zijn nogal nonchalante houding rond de recente affaire over minister Jacqueline Cramer tegen het licht houden.